Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant verzocht de rechtbank om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van reële pogingen tot buitengerechtelijke schuldregeling en onvolledige schuldenlijst.
In hoger beroep stelde appellant dat afwijkingen in de schuldenlijst verklaarbaar waren en dat hij maatregelen had genomen om de onderneming te optimaliseren, hoewel opdrachten opdroogden. Het hof oordeelde dat er geen reële mogelijkheden waren voor een buitengerechtelijke regeling, mede door het aanhangige faillissementsrekest en de termijn van artikel 3 Fw Pro.
Het hof stelde vast dat appellant te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden, mede door externe omstandigheden zoals de crisis en veranderde subsidieregelingen. Ook bleek appellant een saneringsgezinde houding te hebben door het zoeken van werk en het verkrijgen van een vaste baan.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en verklaarde de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing, waarna de zaak werd verwezen naar de rechtbank voor verdere afhandeling.
Uitkomst: Het hof verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing op appellant en vernietigt het vonnis van de rechtbank.