De betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het niet in stand houden van een verplichte motorrijtuigenverzekering op 19 januari 2012. Hoewel het voertuig onverzekerd was, stelde betrokkene dat hij in de veronderstelling was dat de verzekering nog liep, omdat hij bij aanschaf van een nieuwe auto de oude verzekering niet had opgezegd. De verzekeringsmaatschappij beëindigde de oude verzekering onterecht na een telefonisch contact en bood een gedeeltelijke vergoeding van de sanctie aan.
Het hof oordeelde dat de gedraging vaststaat, maar dat bijzondere omstandigheden, waaronder de fout van de verzekeraar en de aannemelijkheid van betrokkene's uitleg, aanleiding geven tot matiging van de sanctie. De sanctie werd verlaagd tot het bedrag dat de verzekeraar reeds had vergoed.
Daarnaast wees het hof het verweer tegen de RDW af, omdat deze niet gehouden is de juistheid van beëindiging van verzekeringen te toetsen of de kentekenhouder hierover te informeren. Het hof kende een proceskostenvergoeding toe voor gemaakte reiskosten.
Het arrest vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijzigt het sanctiebedrag tot €192, met restitutie van €198 door de advocaat-generaal en een proceskostenvergoeding van €4,02.