Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant was onder de wettelijke schuldsaneringsregeling geplaatst door de rechtbank Leeuwarden in mei 2012. In september 2014 werd deze regeling tussentijds beëindigd wegens het niet nakomen van verplichtingen en het laten ontstaan van een nieuwe schuld van ruim €24.900, hoofdzakelijk door het verzwijgen van feitelijke samenwoning met zijn partner.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet op de hoogte was van de regels omtrent bijstand en dat de schuld niet aan hem toe te rekenen was, mede omdat de terugvordering op zijn partner was gericht. De beschermingsbewindvoerder steunde het hoger beroep, terwijl de bewindvoerder het vonnis wilde handhaven.
Het hof oordeelde dat appellant zijn informatieplicht ernstig had geschonden door de samenwoning te verzwijgen, wat leidde tot een onjuiste berekening van het vrij te laten bedrag. Daarnaast was de nieuwe schuld onbetaalbaar binnen de schuldsaneringsregeling. Het hof achtte het ongeloofwaardig dat appellant geen twijfel had over de gevolgen van de samenwoning en dat hem dit verwijtbaar was.
Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gehandhaafd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens verzwijging van samenwoning en het ontstaan van een nieuwe schuld.