ECLI:NL:GHARL:2014:900

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 februari 2014
Publicatiedatum
10 februari 2014
Zaaknummer
200.134.822
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 5 RvArt. 4 lid 3 RvArt. 8 lid 1 Verordening (EG) nr. 2201/2003Art. 12 Verordening (EG) nr. 2201/2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onbevoegdheid Nederlandse rechter bij verzoek wijziging ouderlijk gezag wegens verblijf kinderen in Syrië

Partijen, met de Syrische nationaliteit, zijn gehuwd geweest en hebben twee kinderen die sinds 2005 in Syrië verblijven. De moeder verzocht de rechtbank om wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag in alleen gezag voor haar, maar de rechtbank verklaarde zich onbevoegd.

De moeder ging in hoger beroep en voerde aan dat de Nederlandse rechter wel bevoegd moest zijn, onder meer vanwege artikel 6 EVRM Pro en de verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer. Het hof oordeelde dat noch Brussel II-bis, noch het Haags Kinderbeschermingsverdrag van toepassing zijn en dat de bevoegdheid moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 5 Rv Pro.

Het hof stelde vast dat de kinderen al bijna negen jaar in Syrië wonen, alleen de Syrische nationaliteit bezitten, daar naar school gaan en bij familie van de vader verblijven. De moeder kon niet aantonen dat er sprake is van een uitzonderlijk geval dat de Nederlandse rechter bevoegdheid zou geven.

Ook het beroep op artikel 4 lid 3 Rv Pro faalde omdat het verzoek niet als nevenvoorziening bij de echtscheiding kan worden aangemerkt. Het hof concludeerde dat de onbevoegdverklaring niet leidt tot ontzegging van toegang tot de rechter in strijd met artikel 6 EVRM Pro.

De bestreden beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de onbevoegdverklaring van de Nederlandse rechter wegens verblijf van de kinderen in Syrië.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.134.822
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 134372)
beschikking van de familiekamer van 11 februari 2014
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. I. Mercanoğlu te Enschede,
en
[verweerder],
wonende in Syrië op een onbekend adres,
verder te noemen: de vader.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 3 juli 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 1 oktober 2013.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 januari 2014 plaatsgevonden. Hoewel behoorlijk opgeroepen is de moeder niet verschenen. Namens de moeder is haar advocaat verschenen. Van de Raad voor de Kinderbescherming is met kennisgeving aan het hof geen vertegenwoordiger verschenen.

3.De vaststaande feiten

3.1
Partijen zijn op 15 augustus 1996 te [plaats] (Syrië) gehuwd. Zij hebben de Syrische nationaliteit en hebben zich in 2001 in Nederland gevestigd. Het huwelijk van partijen is op 14 november 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand te ‘s-Gravenhage.
3.2
Partijen zijn de ouders van:
- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1999, en
- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2001,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben de Syrische nationaliteit.
3.3
Bij (echtscheidings)beschikking van 13 april 2005 heeft de rechtbank Almelo bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn.
3.4
In mei 2005 is de vader met de kinderen voor een vakantie naar Zweden vertrokken. In juni 2005 heeft de moeder vernomen dat de vader zonder toestemming van de moeder met de kinderen naar Syrië is vertrokken.
3.5
Bij beschikking van de staatssecretaris van justitie van 30 november 2009 is de aan de vader verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Bij uitspraak van 8 december 2010 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudend te Maastricht, het beroep van de vader tegen voormelde beschikking ongegrond verklaard.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder heeft de rechtbank verzocht het ouderlijk gezag over de kinderen te wijzigen in die zin dat zij voortaan alleen het gezag heeft. De rechtbank heeft zich in de bestreden beschikking onbevoegd verklaard ten aanzien van dat verzoek.
4.2
De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking. De grieven zien op de onbevoegdverklaring van de rechtbank en lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De moeder verzoekt het hof haar ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, het hoger beroep gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De moeder kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen. Zij voert met haar eerste grief aan dat haar feitelijk de toegang tot de rechter wordt ontzegd wanneer de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart van haar verzoek kennis te nemen, hetgeen in strijd is met artikel 6 van Pro het EVRM. Indiening van een verzoek in Syrië is slechts een hypothetische mogelijkheid, gelet op de feitelijke situatie daar en het feit dat zij als politiek vluchteling Syrië heeft verlaten. Verder is de moeder van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Syrië is (grief II) en ten onrechte heeft bepaald dat er onvoldoende betrokkenheid is met de Nederlandse rechtssfeer (grief III).
5.2
Het hof oordeelt - met verwijzing naar en overneming van de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking daaromtrent - dat zowel artikel 8 lid 1 als Pro artikel 12 van Pro de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (verder: Brussel II-bis) toepasselijkheid mist, evenals artikel 7 van Pro het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv).
5.3
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Syrië, althans buiten Nederland, hebben, nu de moeder in hoger beroep niet heeft weersproken dat de kinderen sinds juni 2005 (inmiddels bijna negen jaar) in Syrië wonen, alleen de Syrische nationaliteit hebben, in Syrië naar school gaan, geen Nederlands meer spreken en in Syrië bij (familie van) de vader wonen. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden verwerpt het hof tevens de stelling van de moeder dat hier sprake is van een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de Nederlandse rechtssfeer, waarin de rechter in staat is de belangen van de kinderen naar behoren te beoordelen en daarom - in weerwil van artikel 5 Rv Pro - rechtsmacht heeft.
5.4
Het hof kan de moeder evenmin volgen in haar stelling dat - hoewel Brussel II-bis formeel niet van toepassing is - de bevoegdheidsregeling van artikel 4 Rv Pro toch moet worden toegepast. Het moge zo zijn dat de moeder er niet mee heeft ingestemd dat de vader zich met de kinderen in Syrië ging vestigen en dat het verblijf van de vader en de kinderen (aanvankelijk) een tijdelijk karakter had, maar gelet op de hiervoor onder 5.3 vermelde feiten en omstandigheden kan niet op goede gronden worden volgehouden dat de verblijfplaats van de kinderen nog steeds in Nederland ligt, ook niet indien (zoals de moeder aanvoert) onder de gewone verblijfplaats van de kinderen moet worden verstaan de plaats waar zij hun permanente centrum van belangen hebben gevestigd met de bedoeling daaraan vast karakter te geven (in de zin van artikel 2 Brussel Pro II-bis). Daarbij komt dat de moeder - afgezien van een vruchteloos verzoek aan de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van de kinderen in de zomer van 2005 - geen (verdere) actie heeft ondernomen waaruit blijkt dat zij zich niet kon verenigen met het verblijf van de kinderen in Syrië.
5.5
Het beroep van de moeder op artikel 4 lid 3 Rv Pro faalt overigens, nu het onderhavige verzoek geen nevenvoorziening is die verband houdt met de echtscheiding en - zoals ook volgt uit hetgeen in 5.3 is overwogen - de rechter wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de Nederlandse rechtssfeer niet in staat is de belangen van de kinderen naar behoren te beoordelen. Dat de kinderen belang hebben bij veiligheid in hun omgeving en bij bescherming en opvoeding door en contact met beide ouders is ontegenzeggelijk waar, maar dat geldt voor elk kind waar ook verblijvend en is in zijn algemeenheid dan ook onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat deze zaak (daardoor) in voldoende mate is verbonden met de Nederlandse rechtssfeer en de rechter wegens die verbondenheid in staat is de belangen van de kinderen naar behoren te beoordelen.
5.6
Ten slotte overweegt het hof dat, hoewel de Nederlandse rechter zich onbevoegd dient te verklaren en daardoor niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de moeder, daarmee de moeder niet de toegang tot de rechter is ontzegd. Van strijd met artikel 6 EVRM Pro is dan ook geen sprake.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 3 juli 2013.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, J.B. de Groot en J.W.P. Verheugt, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 11 februari 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.