In deze effectenleasezaak stond centraal of appellant 2 bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen en de vraag of Dexia haar zorgplicht had geschonden. Het hof nam het tussenarrest van april 2014 over en hield een getuigenverhoor waarbij appellanten zichzelf als getuigen hoorden. De verklaringen van appellanten over hun financiële situatie en kennis van de effectenleaseovereenkomsten vertoonden tegenstrijdigheden en overtuigden het hof niet.
Het hof concludeerde dat appellant 2 meer dan drie jaar voor 4 maart 2004 op de hoogte was van de effectenleaseovereenkomst, waardoor de bevoegdheid tot vernietiging was verjaard. Daarmee kon appellant 2 de overeenkomst niet meer rechtsgeldig vernietigen. Vervolgens bevestigde het hof het oordeel van de kantonrechter dat Dexia haar zorgplicht had geschonden en dat de restschuld verdeeld moest worden, waarbij Dexia twee derde en appellant 1 een derde van de restschuld draagt.
De grieven van appellanten faalden, waardoor de vonnissen van de rechtbank Groningen werden bekrachtigd. Appellanten werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken door de kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 november 2014.