In deze civiele procedure tussen appellant en Hak Business Ventures B.V. (HBV) staat centraal of appellant in hoger beroep een vordering tot herroeping van een eerder arrest van het Gerechtshof te Amsterdam kan instellen. Het hof verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Utrecht en behandelt het hoger beroep tegen het vonnis van 21 april 2010.
Appellant wijzigde zijn eis in hoger beroep en vorderde onder meer herroeping van het Amsterdamse arrest. Het hof oordeelt dat deze wijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde en dat een vordering tot herroeping niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld. Tevens is onvoldoende gesteld dat aan de wettelijke gronden voor herroeping is voldaan.
Verder bevestigt het hof dat het Amsterdamse arrest bindende kracht heeft tussen partijen, aangezien appellant geen gewoon rechtsmiddel tegen dat arrest heeft ingesteld. De stelling dat het arrest op een evident feitelijk onjuiste grondslag is gebaseerd, wordt verworpen wegens het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.
De grieven van appellant falen en het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die aan de zijde van HBV worden vastgesteld op griffierecht en salaris advocaat. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.