Belanghebbende kocht een appartementencomplex dat bouwkundig al was gesplitst in vijf appartementen, met het doel deze te verhuren. Na aankoop voerde hij zelf diverse werkzaamheden uit om het pand geschikt te maken voor verhuur. De Inspecteur kwalificeerde het verschil tussen de getaxeerde waarde bij ingebruikneming en de verkrijgingsprijs, verminderd met kosten, als resultaat uit overige werkzaamheden en legde daarop belasting op.
De rechtbank stelde belanghebbende in het gelijk en vernietigde de aanslag. De Inspecteur ging in hoger beroep. Het hof oordeelde dat de werkzaamheden van belanghebbende niet verder gingen dan normaal vermogensbeheer en dat er geen sprake was van een waardesprong die als resultaat uit overige werkzaamheden kon worden belast. De omvangrijke werkzaamheden en de tijdsinvestering deden hieraan niet af.
Het hof bevestigde dat de Inspecteur niet had aangetoond dat belanghebbende met zijn werkzaamheden een voordeel beoogde dat het rendement bij normaal vermogensbeheer te boven ging. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.