Belanghebbende is eigenaar van een agrarisch object bestaande uit een perceel grond met bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van het perceel vast op €306.000 en legde aanslagen gebruikersbelasting op, gebaseerd op een heffingsmaatstaf van €165.000.
Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, betwistte de waardering van het bedrijfsperceel en voerde aan dat de heffingsmaatstaf te hoog was vastgesteld.
Het hof oordeelde dat de Taxatiewijzer, een hulpmiddel voor waardebepaling, niet zonder meer toepasbaar is voor de woondelenvrijstelling, maar volgde partijen in het gebruik ervan. Het hof verwierp de waarderingsmethode van belanghebbende omdat deze leidde tot een onrealistisch lage waarde van het bedrijfsperceel. De heffingsambtenaar had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde hoger was dan €52.880. Hierdoor was de heffingsmaatstaf met €24.960 te hoog vastgesteld, wat leidde tot een vermindering van de aanslag gebruikersbelasting met €54,56 tot €306,13.
Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de beschikking van de heffingsambtenaar voor zover deze betrekking had op de gebruikersbelasting, en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende.