De man en de vrouw zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, waarbij het hoofdverblijf bij de vrouw is. De vrouw verzocht de rechtbank om een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind, welke door de rechtbank werd toegewezen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De man verscheen niet in eerste aanleg en stelde dat hij niet op de hoogte was van de procedure en de beschikking. Hij stelde hoger beroep in tegen de beschikking en verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.
Het hof stelde vast dat het verzoekschrift en de beschikking aangetekend naar het bij de Basisregistratie Personen bekende adres van de man waren verzonden, maar dat het verzoekschrift niet was afgehaald. De beroepstermijn van drie maanden na de uitspraak was verstreken, waardoor de beschikking in kracht van gewijsde was gegaan.
Daarom kon het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad niet worden toegewezen en werd dit afgewezen. Het hof kwam niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.