In deze zaak stond de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen Muissie B.V. en [verweerster] centraal. [verweerster] had de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2014 willen ontbinden wegens gewichtige redenen en vorderde een schadeloosstelling. De kantonrechter had dit verzoek toegewezen en Muissie veroordeeld tot betaling van een bruto vergoeding en proceskosten.
Muissie kwam in hoger beroep en stelde dat de kantonrechter het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor had geschonden omdat de directeur niet op de hoogte was van de zitting en de gemachtigde van Muissie niet was geïnformeerd over het verzoekschrift. Muissie betoogde dat hierdoor geen eerlijke en onpartijdige behandeling had plaatsgevonden.
Het hof oordeelde dat de oproeping per aangetekende brief was ontvangen door een medewerkster van Muissie, waardoor de oproeping Muissie had bereikt. Het niet onder de aandacht brengen van de oproeping aan de directeur lag in de risicosfeer van Muissie. Bovendien was er geen wettelijke verplichting voor [verweerster] om het verzoekschrift aan de gemachtigde van Muissie te sturen. Het hof concludeerde dat geen schending van hoor en wederhoor had plaatsgevonden en verwierp het hoger beroep.
Muissie werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, inclusief griffierecht en salaris advocaat, met wettelijke rente indien niet tijdig betaald. De beschikking werd gegeven door het hof op 17 februari 2015.