Uitspraak
1.[appellant 1],
[appellant 1],
2. [appellant 2],
[appellant 2],
3. [appellant 3],
[appellant 3],
[appellanten],
1.[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerden],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
dat het uw gerechtshof moge behagen, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, te bevestigen het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie [vestigingsplaats 1], d.d. 12 september 2014, waarvan beroep, met veroordeling van appellanten in principaal appèl in de kosten in beide instanties.”
3.De eiswijziging
4.De vaststaande feiten
aandelen, elk nominaal grootf
453,80, genummerd 1 tot en met26
van de vennootschap.
25.000) van de vennootschap per 31 december 2013 getrouw weer en sinds deze datum,
2.500.
200.000, zegge tweehonderdduizend euro.
aflossing, rente en kosten door koper, zal ten behoeve van verkoper onmiddellijk na de overdracht van de aandelen een pandrecht worden gevestigd op 50%
van de aandelen van de vennootschap.
het vorige lid zal de lening tot en met 31 december 2014 aflossingsvrij zijn indien de bank op verzoek van partijen niet wenst te bevestigen dat de huidige bestaande
rekening van koper.
jaar de volgende advies- en managementactiviteiten ten behoeve van de vennootschap blijven verrichten:
5.De beslissing van de voorzieningenrechter
- aan [geïntimeerde 1] € 1.666,66 per maand te betalen, te vermeerderen met de rente totdat de volledige resterende hoofdsom ad € 62.632,00 en de rente daarover is voldaan;
- aan te tonen dat zij niet in staat is om meer af te lossen of inzichtelijk te maken welke ruimte zij daarvoor wel heeft;
- ingediende financieringsaanvragen en afwijzingen daarop over te leggen, althans daartoe serieuze pogingen te doen;
- een bankgarantie te stellen als zekerheid voor de resterende koopsom.
- aan [geïntimeerde 2] de sleutels af te geven van de panden die zij van hem huurt;
- alle zaken die zij onder zich heeft en die in eigendom toebehoren aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] af te geven aan [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2].
7.In het principaal en het incidenteel appel
I tot en met V.Die van [geïntimeerden] zullen worden genummerd
A en B.
vergoedenindien dit bedrag hoger is dan € 2.500,-. Nu die vergoedingsplicht tussen partijen vaststaat (het eigen vermogen blijkt aanmerkelijk lager te zijn dan € 125.000,-), beroepen [appellanten] zich op verrekening van de vordering ter zake van deze vergoeding met de aflossingstermijnen die [appellant 1] moet voldoen. De voorzieningenrechter heeft dat verweer verworpen. Daartegen richt zich grief II van [appellanten]
vergoedingmoet worden uitgelegd als ‘strekt in mindering op de resterende koopsom’. In dat laatste geval gaat het beroep op verrekening niet op.