ECLI:NL:GHARL:2015:1522

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2015
Publicatiedatum
3 maart 2015
Zaaknummer
200.128.177-01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 RvArt. 227 RvArt. 2:334 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incident tot schorsing en hervatting bij fusie en splitsing van procespartij

In deze civiele zaak staat een incident centraal waarin het hof moet beslissen over de schorsing en hervatting van het geding na een fusie en splitsing van de procespartij Intres Financial Services B.V. (IFS). IFS is gefuseerd met Intres B.V., die vervolgens is gesplitst waarbij Euretco Financial Services B.V. een deel van het vermogen heeft verkregen. IFS verzoekt het hof het geding te schorsen en Euretco als opvolgende partij te erkennen.

De appellanten betwisten echter dat Euretco als opvolger kan gelden en klagen dat zij niet tijdig zijn geïnformeerd over de fusie en splitsing, waardoor zij geen verzet konden aantekenen. Zij vragen om waarborg of zekerheidsstelling en hoofdelijke verbondenheid van de nieuwe rechtspersonen.

Het hof constateert dat uit handelsregisteruittreksels blijkt dat IFS is opgehouden te bestaan en dat Intres B.V. is gesplitst in meerdere rechtspersonen, waaronder Euretco. Echter ontbreekt de splitsingsakte waardoor onduidelijk blijft in hoeverre Euretco als debiteur geldt. Daarom wordt IFS opgedragen dit bij akte aan te tonen en in te gaan op de gevraagde zekerheden.

Het hof wijst erop dat de gecombineerde schorsing en aanzegging van hervatting voldoet aan de wettelijke eisen. De zaak wordt aangehouden voor nadere stukken en besluitvorming.

Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan en beveelt IFS om nadere stukken te overleggen over de opvolging en zekerheden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.128.177/01
(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 111632 / HA ZA 11-277)
arrest van de eerste kamer van 3 maart 2015 in het incident tot schorsing ex art. 225 Rv Pro en tot hervatting ex art. 227 Rv Pro in de zaak van:

1.[appellante],

wonende te [woonplaats],
2.
[appellante 2],
wonende te [woonplaats],
3.
[appellante 3],
wonende te [woonplaats],
4.
[appellante 4],
wonende te [woonplaats],
voorheen beherende vennoten in [v.o.f.], laatstelijk gevestigd te [vestigingsplaats 1],
appellanten,
tevens verweerders in het incident,
in eerste aanleg: eisers,
hierna gezamenlijk te noemen:
[appellanten],
advocaat: mr. D.M. Bos, kantoorhoudend te Sneek,
tegen
Intres Financial Services B.V.,
gevestigd te Hoevelaken,
geïntimeerde,
tevens eiseres in het incident,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen:
IFS,
advocaat: mr. P. van der Sluis, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1.Het geding in eerste instantie

1.1
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het incidenteel vonnis van 5 oktober 2011 en het eindvonnis van 17 oktober 2012 van de voormalige rechtbank Leeuwarden, sector civiel recht (hierna: de rechtbank), gewezen tussen appellanten als eisers en geïntimeerde en [gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats 2], als gedaagden.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij exploot van 15 januari 2013 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van voormeld eindvonnis van 17 oktober 2012 met dagvaarding van IFS tegen de zitting van 11 juni 2013.
2.2
De conclusie van de memorie van grieven (met producties), tevens houdende een wijziging van eis, strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot veroordeling van IFS tot vergoeding van de door [appellanten] geleden belastingschade, nader op te maken bij staat, kosten rechtens.
2.3
Op de rol van 25 november 2014 heeft IFS een incidentele akte tot schorsing rechtsgeding ex artikel 225 lid 2 Rv Pro en tot hervatting ex artikel 227 Rv Pro (met producties) genomen. [appellanten] hebben zich hierover uitgelaten bij incidentele conclusie van antwoord op de rol van 23 december 2014.
2.4
IFS heeft de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident. Daarbij ontbreekt de incidentele conclusie van antwoord van [appellanten], waarvoor het hof heeft geput uit het griffiedossier.

3.De beoordeling

3.1
Door IFS is aangevoerd dat op 11 februari 2013 een fusieakte is verleden, waarbij Intres B.V. de verkrijgende rechtspersoon was van (onder meer) IFS. Vervolgens is op 12 februari 2013 een splitsingsakte (zuivere splitsing) verleden. Als gevolg van de splitsing heeft Euretco Financial Services B.V., gevestigd te Hoevelaken, de activa en passiva betreffende de "financiële dienstverlening" en het "centraal betalen" van Intres B.V. toebedeeld gekregen, aldus IFS.
3.2
IFS stelt belang te hebben bij schorsing ex art. 225 Rv Pro om Euretco Financial Services B.V. te presenteren als de opvolgende procespartij. Euretco Financial Services B.V. (hierna: Euretco) zegt voorts de hervatting van het geding aan ex art. 227 Rv Pro, aldus de akte van IFS.
3.3
[appellanten] hebben (samengevat) het volgende verweer gevoerd. Kennelijk heeft op basis van een niet in het geding gebrachte notariële akte een rechtshandeling plaatsgevonden waarbij het vermogen van IFS (na een tussentijdse fusie) werd verkregen door meerdere vennootschappen. Het is niet inzichtelijk gemaakt welk vermogen van IFS door Euretco is verkregen. [appellanten] kunnen zich er derhalve niet van vergewissen of de rechtspersoon die na de splitsing de debiteur van [appellanten] zal zijn (Euretco) niet minder waarborgen zal bieden dan IFS voordien. IFS heeft [appellanten] niet tijdig geïnformeerd over de op handen zijnde fusie en splitsing, zodat zij niet in de gelegenheid waren om tegen de splitsing in verzet te komen op de voet van art. 2:334l lid 1 BW.
3.4
[appellanten] concluderen daarom dat het hof beveelt dat een waarborg althans zekerheidsstelling wordt gegeven aan [appellanten] en/of dat het hof zal bepalen dat de uit de splitsing voortkomende rechtspersonen hoofdelijk verbonden zijn tot nakoming van de uit de rechtsverhouding met [appellanten] voortvloeiende verbintenissen, kosten rechtens.
3.5
Het hof overweegt dat uit de uittreksels uit het handelsregister, die door IFS in het geding zijn gebracht, het navolgende genoegzaam blijkt. IFS heeft als rechtspersoon opgehouden te bestaan per 11 februari 2013 als gevolg van een fusie, waarbij Intres B.V. de verkrijgende rechtspersoon was. Vervolgens is Intres B.V. op 12 februari 2013 gesplitst, waarbij naast Euretco ook Euretco B.V. en Euretco Properties B.V. de verkrijgende rechtspersonen waren. Voor zover [appellanten] het voorgaande in twijfel trekken, gaat het hof aan hun (in zoverre niet nader onderbouwde) stellingen voorbij.
3.6
Uit de gedingstukken blijkt vooralsnog echter niet voldoende duidelijk in hoeverre Euretco sedert de splitsing als de debiteur van [appellanten] heeft te gelden. In zoverre klagen [appellanten] er terecht over dat de splitsingsakte niet in het geding is gebracht. IFS zal daarom worden opgedragen om bij akte alsnog aan te tonen dat - zoals zij stelt - Euretco ten opzichte van [appellanten] als de opvolgende procespartij heeft te gelden. IFS dient bij die gelegenheid tevens in te gaan op de stellingen van [appellanten] omtrent de door hen gewenste waarborg, zekerheidstelling dan wel hoofdelijke verbondenheid.
3.7
Tegelijk met de schorsing heeft IFS de hervatting van het geding aangezegd, waarbij Euretco als procespartij in de plaats treedt van IFS. Anders dan [appellanten] in randnummer 6 van hun incidentele conclusie van antwoord lijken te menen, voldoet deze gecombineerde aanzegging bij akte ter rolle aan art. 227 lid 1 aanhef Pro en onder a Rv, waarin is bepaald dat de belanghebbende die het geding heeft geschorst, bij de betekening van de schorsingsgrond kan verklaren dat het geding wordt hervat.
3.8
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
in het incident
verwijst de zaak naar de rol van
dinsdag 31 maart 2015voor akte aan de zijde van IFS zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.6;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. L. Groefsema en mr. A.M. Koene, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 maart 2015.