ECLI:NL:GHARL:2015:1805

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2015
Publicatiedatum
12 maart 2015
Zaaknummer
200.155.544
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 2.1.2 onder f Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling exhibitieplicht artikel 843a Rv bij betwisting draagkracht in alimentatiezaak

In deze civiele procedure over kinder- en partneralimentatie heeft de vrouw bij het hof hoger beroep ingesteld tegen een eerdere beschikking van de rechtbank. Zij verzoekt het hof tevens om de man te veroordelen tot het overleggen van diverse financiële bewijsstukken op grond van artikel 843a Rv, omdat zij de door de man gestelde leningen en aflossingen betwist en deze van belang acht voor de vaststelling van zijn draagkracht.

De man heeft dit verzoek bestreden en het hof heeft overwogen dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man al rekening heeft gehouden met de genoemde leningen en aflossingen. Het hof benadrukt dat in verzoekschriftprocedures de wettelijke regels omtrent bewijs en onderbouwing gelden en dat het hof conclusies kan verbinden aan het niet of onvoldoende voldoen aan deze regels.

Het hof verwijst naar het procesreglement familiezaken waarin is bepaald dat bij betwisting van draagkracht bewijsstukken over de schuld(en) en aflossingen dienen te worden overgelegd. Desondanks oordeelt het hof dat de exhibitieplicht van artikel 843a Rv niet geldt indien een behoorlijke rechtspleging ook zonder de gevraagde stukken is gewaarborgd.

Hieruit volgt dat de vrouw geen rechtmatig belang heeft bij het incidentele verzoek om de stukken en dat het verzoek wordt afgewezen. De zaak wordt verwezen naar een zitting met gesloten deuren voor verdere behandeling van de alimentatiekwesties, waarbij het hof de beslissing over de alimentatie aanhoudt.

Uitkomst: Het incidentele verzoek tot overlegging van financiële stukken wordt afgewezen omdat een behoorlijke rechtspleging ook zonder deze stukken is gewaarborgd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.155.544/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/347906 / FL RK 13-1555)
beschikking in het incident ter zake artikel 843a Rv van 26 februari 2015 in de procedure van
[de vrouw],
wonende te [A],
verzoekende partij in het incident,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N.J.G. de Jager, kantoorhoudend te Arnhem,
tegen
[de man],
wonende te [B],
verwerende partij in het incident,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Cortet, kantoorhoudend te Utrecht.

1.Het geding in eerste aanleg

1.1
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 5 juni 2014, partijen voldoende bekend.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vrouw heeft bij beroepschrift, ingekomen op 5 september 2014, verzocht bovengenoemde beschikking te vernietigen voor zover daarbij een beslissing is genomen over de kinder- en partneralimentatie en in zoverre opnieuw rechtdoende te beslissen zoals in het petitum van dat beroepschrift is weergegeven, welk petitum als hier herhaald en ingelast geldt. Daarbij heeft de vrouw tevens een verzoek gedaan om de man te veroordelen om ingevolge artikel 843a Rv een aantal (financiële) stukken over te leggen in deze procedure.
2.2
De man heeft op 4 november 2014 een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft de man tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep zoals in het petitum van dat verweerschrift is weergegeven, welk petitum als hier herhaald en ingelast geldt.
2.3
Daarop heeft de vrouw in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 23 januari 2015, waarin zij het hof verzoekt zoals in het petitum van dat verweerschrift is weergegeven, welk petitum als hier herhaald en ingelast geldt.
2.4
De man heeft op 2 februari 2015 in het incidenteel appel een aanvullend beroepschrift ingediend, waarin hij heeft verzocht zoals in het petitum van dat aanvullend beroepschrift is weergegeven, welk petitum als hier herhaald en ingelast geldt.
2.5
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

3.De motivering van de beslissing

3.1
Thans is alleen aan de orde het incidentele verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om ingevolge artikel 843a Rv de volgende stukken over te leggen in deze procedure:
- bewijs van overschrijvingen van de geleende bedragen zoals nader genoemd in het verzoek door de heer [C] aan de man door middel van bankafschriften;
- betalingsbewijzen betreffende de aflossing van de leningen door de man aan de heer [C] door middel van bankafschriften;
- betalingsbewijzen betreffende de aflossingen op de rekening-courant van de man aan [D] B.V. en [E] B.V.
3.2
De vrouw heeft dit incidentele verzoek gedaan, omdat zij de betreffende leningen en aflossingen betwist en het al dan niet bestaan daarvan van belang is voor het bepalen van de voor kinder- en partneralimentatie beschikbare draagkracht van de man. De man heeft het incidentele verzoek van de vrouw bestreden.
3.3
De rechtbank heeft bij de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden met genoemde leningen en aflossingen. De vrouw heeft appel ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de kinder- en partneralimentatie. De grieven van de vrouw betreffen de draagkracht van de man. In hoeverre het hof bij de berekening van de draagkracht van de man rekening zal houden met de door de man gestelde en door de vrouw betwiste leningen en aflossingen zal bij de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinder- en partneralimentatie aan de orde komen. In een verzoekschriftprocedure als de onderhavige gelden in beginsel de wettelijke regels betreffende het naar behoren onderbouwen van stellingen, en van het bewijsrecht. Mocht één van partijen of partijen over en weer daar niet (behoorlijk) aan voldoen, dan zal het hof daaraan de conclusies kunnen verbinden welke hem geraden voorkomen.
3.4
In dit verband wijst het hof op artikel 2.1.2 onder f van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven. Op basis daarvan dienen indien de draagkracht van - in dit geval - de man wordt betwist bewijsstukken te worden overgelegd van de eventuele schuld(en) en opgave van de restantschuld(en) en restantlooptijd, alsmede opgave wanneer en waarvoor deze schuld(en) is (zijn) aangegaan en bewijsstukken van de aflossing van die schulden.
3.5
De exhibitieplicht van artikel 843a Rv geldt niet als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtspleging ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Daarvan is hier sprake. Uit het vorenstaande vloeit immers voort dat de vrouw niet onredelijk nadeel lijdt en dat de man niet onredelijk voordeel geniet doordat de onder 3.1 bedoelde (bewijs)stukken in deze procedure niet (allemaal) (als bewijsmiddel) beschikbaar komen.
3.6
Op grond van het voorgaande heeft de vrouw geen rechtmatig belang als bedoeld in artikel 843a Rv, zodat haar verzoek in het incident dient te worden afgewezen.

4.De beslissing

Het gerechtshof:
wijst het incidentele verzoek van de vrouw af;
verwijst de zaak voor verdere behandeling naar de zitting met gesloten deuren van 13 maart 2015;
houdt iedere verdere beslissing over de kinder- en partneralimentatie aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, mr. M.P. den Hollander en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 februari 2015 in het bijzijn van de griffier.