Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gehuwd in 1998 met huwelijkse voorwaarden en zijn in 2014 gescheiden. De rechtbank had de partneralimentatie vastgesteld op €356,- per maand, welke de vrouw in hoger beroep betwistte. De vrouw had een akte van berusting ondertekend, maar het hof oordeelde dat deze niet ziet op de alimentatiebeslissing, waardoor haar hoger beroep ontvankelijk is.
De kinderalimentatie is ongewijzigd vastgesteld op €330,- per maand. Het geschil betrof vooral de partneralimentatie: de vrouw vorderde een hogere bijdrage van €445,20 per maand met ingang van 20 januari 2014. Het hof stelde vast dat de vrouw op basis van haar UWV-uitkering behoefte heeft aan deze bijdrage en dat de man voldoende draagkracht heeft om dit bedrag te betalen vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 14 maart 2014.
Verder ging het geschil over het voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning, die gemeenschappelijk eigendom is. Het hof kent de vrouw voorlopig het gebruiksrecht toe met uitsluiting van de man, onder de verplichting dat zij de hypothecaire lasten en eigenaarslasten draagt, terwijl de man zijn helft van de beleggingsverzekeringspremie blijft betalen.
De vrouw vorderde ook vergoeding van vermeende onttrokken gelden voor de huishouding, maar kon dit onvoldoende onderbouwen, waardoor dit verzoek is afgewezen. Het hof compenseert de proceskosten zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het partneralimentatie betreft en het hof beslist opnieuw over de bijdrage en nevenvoorzieningen.
Uitkomst: De man moet vanaf 14 maart 2014 €445,20 per maand partneralimentatie betalen en de vrouw krijgt voorlopig het gebruiksrecht van de voormalige echtelijke woning onder lastenverplichting.