Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat de onderhoudsbijdrage van een vader aan zijn jongmeerderjarige zoon centraal. Na echtscheiding in 1999 werd aanvankelijk een bijdrage vastgesteld, die in 2005 op nihil werd gesteld. De zoon, inmiddels jongmeerderjarig, vordert in hoger beroep een maandelijkse bijdrage van €523,45 voor levensonderhoud en studie.
De vader voert aan dat ernstige beschuldigingen van seksueel misbruik, die nooit tot vervolging of veroordeling hebben geleid, hebben geleid tot een volledige breuk in de relatie met zijn zoon. Dit heeft hem psychisch zwaar belast, waardoor het redelijk is de onderhoudsverplichting te matigen. De zoon ontkent grievend gedrag en stelt geen contact te willen vanwege onduidelijkheden over het verleden.
Het hof bevestigt dat de beschuldigingen en het langdurige contactverlies de vader zwaar hebben getroffen en dat de zoon niet bereid is het contact te herstellen. Gezien deze omstandigheden en de psychische klachten van de vader, acht het hof het redelijk dat de onderhoudsbijdrage wordt gematigd tot nihil. De grieven van de zoon falen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De onderhoudsbijdrage van de vader aan de jongmeerderjarige zoon wordt gematigd tot nihil vanwege de contactbreuk en psychische gevolgen.