Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
24 maart 2015
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende werd voor het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, gebaseerd op een geschat belastbaar inkomen van €25.000. Tevens werd een verzuimboete van €226 en heffingsrente van €341 opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de aangifte. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Tijdens het hoger beroep stond centraal of de aanslag en boete terecht waren opgelegd, met name of de bewijslast terecht was omgekeerd en verzwaard en of de schatting van het inkomen redelijk was. Het hof oordeelde dat belanghebbende de uitnodiging, herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte niet geloofwaardig had betwist en dat de bewijslast derhalve terecht was omgekeerd. De schatting van het inkomen op €25.000 was, ondanks enige ruwheid, redelijk onderbouwd en niet overtuigend betwist door belanghebbende.
De verzuimboete werd eveneens terecht opgelegd omdat belanghebbende niet tijdig aangifte had gedaan ondanks de ontvangen aanmaning. De heffingsrente bleef in stand omdat belanghebbende hiertegen geen zelfstandige grieven had aangevoerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag, verzuimboete en heffingsrente worden bevestigd.