Belanghebbende stelde in hoger beroep dat hij geen eigenaar was van de recreatiewoning aan de a-straat 37 te L., en daarom niet als genothebbende kon worden aangemerkt voor de WOZ-waardebepalingen over de jaren 2009 en 2011. De heffingsambtenaar betwistte dit en handhaafde dat belanghebbende eigenaar was.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of belanghebbende aan het begin van 2009 en 2010 het genot krachtens eigendom had van de woning. Het hof onderzocht de notariële akten, de eerdere onherroepelijke uitspraak van het hof inzake 2007, en de overige stukken. Het hof concludeerde dat belanghebbende en zijn echtgenote eigenaar waren en dat de WOZ-beschikkingen terecht aan hen waren opgelegd.
Belanghebbendes stellingen over vermeende illegale handelingen door de gemeente en andere gebreken aan de akten konden het eigendom en genot niet aantasten. Ook was er geen sprake van volledig ontbreken van genot. Het verzoek van belanghebbende om aangifte te doen van strafbare feiten werd afgewezen wegens gebrek aan redelijk vermoeden.
Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank Groningen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.