ECLI:NL:GHARL:2015:3070
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland bekrachtigd waarin het verzoek van appellante tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat appellante niet in staat zou zijn haar schulden te blijven betalen en dat zij naast haar parttime baan aanvullende werkzaamheden kon verrichten.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij geen erfgenaam was van haar stiefvader en dat zij uit de nalatenschappen van haar vader en grootvader geen vermogen kon verwachten. Ook stelde zij dat zij zich inspant om meer inkomen te genereren door sollicitaties en een opleiding. Het hof oordeelde dat deze grieven slaagden en dat appellante geen beschikking had over vermogen om haar schulden te voldoen.
Echter, het hof stelde vast dat appellante niet te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van haar aandeel in een huwelijkse schuld die binnen vijf jaar voor het verzoekschrift was ontstaan. Deze schuld was grotendeels veroorzaakt door overbesteding en luxe reizen, waar appellante bewust aan had deelgenomen. Ook was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw was over een schuld aan de Belastingdienst.
Gelet op het gebrek aan goede trouw werd het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof vond geen bijzondere omstandigheden die tot een andere beslissing zouden leiden en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw.