ECLI:NL:GHARL:2015:3216

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 april 2015
Publicatiedatum
3 mei 2015
Zaaknummer
21-002247-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie alcoholslotprogramma

In deze strafzaak heeft het hof het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte werd veroordeeld met betrekking tot deelname aan een alcoholslotprogramma.

Tijdens de terechtzitting gaf de raadsvrouw van verdachte aan dat verdachte niet langer hoefde deel te nemen aan het alcoholslotprogramma omdat het bezwaar tegen de oplegging daarvan gegrond was verklaard. Wel had verdachte zijn rijbewijs tweeëneenhalf jaar moeten inleveren in verband met deze procedure. De raadsvrouw verwees naar een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:434) om te betogen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden in de strafvervolging.

De advocaat-generaal ging aanvankelijk uit van een onherroepelijke oplegging van het alcoholslotprogramma, maar erkende later dat dit niet het geval was. Desalniettemin rekwiereerde hij tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, mede vanwege het langdurige verlies van het rijbewijs en beleidsbrieven van het OM.

Het hof oordeelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden in de vervolging van verdachte en vernietigde het vonnis waarvan beroep. Het hof deed opnieuw recht door het OM niet-ontvankelijk te verklaren, mede gelet op een brief van de minister van Infrastructuur en Milieu aan de Tweede Kamer.

Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging wegens onjuiste oplegging van het alcoholslotprogramma.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002247-14
Uitspraak d.d.: 30 april 2015
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2014 met parketnummer 96-000798-13 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 april 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. B.E.J. Torny, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting van het hof op 17 april 2015 heeft de raadsvrouw aangegeven dat verdachte weliswaar niet meer hoeft deel te nemen aan het alcoholslotprogramma nu het bezwaar gericht tegen de oplegging daarvan gegrond is verklaard maar dat verdachte zijn rijbewijs in verband met deze procedure wel tweeëneenhalf jaar kwijt geweest. De raadsvrouw heeft daarom, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015, ECLI: NL:HR:2015:434, betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof aangegeven ervan te zijn uitgegaan dat aan verdachte in deze zaak onherroepelijk de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma was opgelegd. Gelet op de mededeling van de raadsvrouw blijkt dat echter niet het geval. De advocaat-generaal heeft desalniettemin gerekwireerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging. Daarbij heeft de advocaat-generaal gewezen op het feit dat verdachte zijn rijbewijs tweeëneenhalf jaar kwijt is geweest en op de beleidsbrieven van het openbaar ministerie aangaande deze problematiek.
Het hof zal, gelet op voormelde standpunten, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte. Daarbij heeft het hof ook betrokken de brief van de minister van infrastructuur en milieu gericht aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 1 april 2015 (kenmerk: IENM/BSK-2015/52412).

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr. H. Abbink, voorzitter,
mr. R. de Groot en mr. J.D. den Hartog, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.J.B. van Weegen, griffier,
en op 30 april 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.