ECLI:NL:GHARL:2015:3267

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 april 2015
Publicatiedatum
7 mei 2015
Zaaknummer
200.165.721
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van het wrakingsverzoek tegen rechters in een strafzaak

In deze zaak heeft de wrakingskamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 april 2015 uitspraak gedaan over een verzoek tot wraking van de rechters mrs. Y.A.J.M. van Kuijck, R. de Groot en mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen. Het verzoek tot wraking werd ingediend door een verzoeker die van mening was dat de gewraakte rechters niet onpartijdig waren in de beklagprocedure. De wrakingskamer heeft op 19 februari 2015 de verzoeker gehoord en op 19 maart 2015 is er een zitting geweest waarbij de verzoeker aanvullende informatie heeft ingediend. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat het verzoek tijdig was ingediend en ontvankelijk was.

De verzoeker voerde aan dat de rechters op de zitting van 19 februari 2015 hadden aangegeven dat er een eindbeschikking was gedaan in de beklagprocedure, terwijl hij meende dat dit niet het geval was. Hij stelde dat de gewraakte rechters ten onrechte de indruk hadden gewekt dat het wrakingsverzoek te laat was ingediend. De wrakingskamer heeft echter geoordeeld dat er geen aanwijzingen waren voor vooringenomenheid van de rechters. De opmerkingen van de rechters over de eindbeschikking werden als feitelijk juist beschouwd, en de mening van de verzoeker dat deze beschikking onjuist was, veranderde hier niets aan.

Uiteindelijk heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen, waarbij werd benadrukt dat rechters uit hoofde van hun aanstelling vermoed worden onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die dit tegenspreken. De beslissing werd genomen door mr. H. Abbink als voorzitter, bijgestaan door mrs. R.F.C. Spek en J.P. Bordes, en werd op 2 april 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Uitspraak

Wrakingskamer

Beklagnummer: K14/0625
Wrakingsnummer: W200.165.721
Uitspraakdatum: 2 april 2015
Beslissinggewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door

[Verzoeker]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adresgegevens].
De procedure
Ter zitting van de wrakingskamer van 19 februari 2015 is door verzoeker om wraking verzocht van mrs. Y.A.J.M. van Kuijck, R. de Groot en mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen.
Deze raadsheren hebben niet in de wraking berust. De wrakingskamer heeft ter zitting van 19 maart 2015 de verzoeker gehoord. Mr. Prakke-Nieuwenhuizen was gedurende een gedeelte van die zitting aanwezig. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft verzoeker per fax een brief, gedagtekend 19 maart 2015, aan de wrakingskamer gestuurd. De wrakingskamer heeft deze brief niet tot de gedingstukken gerekend, omdat het onderzoek reeds gesloten was.
Ontvankelijkheid
De wrakingskamer acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk.
De gronden van het verzoek tot wraking
Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek is - kort gezegd - aangevoerd dat de gewraakte raadsheren op de zitting van 19 februari 2015 hebben aangegeven dat er in de beklagprocedure een eindbeschikking was gedaan, terwijl verzoeker van mening is dat er geen sprake is van een eindbeschikking omdat in die beschikking geen antwoorden zijn gegeven op al zijn klachten. Verzoeker heeft betoogd dat daarom ten onrechte door de gewraakte raadsheren het beeld is geschetst dat het wrakingsverzoek te laat is gedaan.
De beoordeling van het verzoek tot wraking
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer overweegt met betrekking tot de aangevoerde wrakingsgronden als volgt. Op de wrakingszitting van 19 februari 2015 is de tijdigheid van het wrakingsverzoek aan de orde gesteld. Dat is kennelijk gedaan om verzoeker de gelegenheid te geven om zijn standpunt daarover te geven. Hieruit valt naar het oordeel van de wrakingskamer geen vooringenomenheid af te leiden.
Ook uit de opmerkingen van de gewraakte raadsheren, inhoudende dat de beklagprocedure is afgerond met de beschikking van 7 december 2014 valt geen vooringenomenheid af te leiden, nu die opmerkingen feitelijk juist zijn. De omstandigheid dat verzoeker van mening is dat die beschikking onjuist is, maakt dat niet anders.
Op grond van het vorenoverwogene zal het wrakingsverzoek worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof (wrakingskamer):
Wijst het verzoek tot wraking van mrs. Y.A.J.M. van Kuijck, R. de Groot en mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen af.
Aldus gewezen door
mr. H. Abbink, voorzitter,
mrs. R.F.C. Spek en J.P. Bordes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. W.B. Kok, griffier,
en op 2 april 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.