ECLI:NL:GHARL:2015:3354

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2015
Publicatiedatum
12 mei 2015
Zaaknummer
200.158.065
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 onder a Verordening Brussel II bisArt. 1:151 BWArt. 7:266 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belangenafweging huurrecht voormalige echtelijke woning na echtscheiding

De man en vrouw zijn in 2006 in Oekraïne getrouwd en wonen sinds 2009 samen in een huurwoning in Nederland. Na hun echtscheiding heeft de rechtbank het huurrecht van de woning aan de man toegekend, omdat de vrouw destijds geen zelfstandige verblijfsvergunning had en het risico bestond dat zij Nederland zou moeten verlaten.

De vrouw kwam in hoger beroep met twee grieven, waaronder het huurrecht van de woning. Het hof constateerde dat de vrouw inmiddels geslaagd was voor haar inburgeringsexamen en een zelfstandige verblijfsvergunning had gekregen, waardoor de eerdere reden voor toewijzing aan de man niet meer gold.

Na een zorgvuldige belangenafweging oordeelde het hof dat het belang van de man bij het behoud van de woning in [A] zwaarder weegt. Dit vanwege zijn langdurige verblijf van 33 jaar in de plaats, zijn sociale netwerk, en de emotionele band met de woning en omgeving. De vrouw verbleef slechts 6 jaar in [A] en had een beperkt sociaal netwerk.

Het hof bekrachtigde daarmee de beschikking van de rechtbank en wees het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: Het huurrecht van de voormalige echtelijke woning wordt toegewezen aan de man na belangenafweging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.158.065/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/356090/ FL RK 13-2564)
beschikking van de familiekamer van 28 april 2015
inzake
[verzoekster],
wonende te [A],
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R. Zwiers, kantoorhoudend te Almere,
tegen
[verweerder],
wonende te [A],
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. D.H. Sloof, kantoorhoudend te Lelystad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 24 juli 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 22 oktober 2014;
- het verweerschrift;
- het journaalbericht van mr. Zwiers van 14 januari 2015 met bijlagen, ingekomen op 19 januari 2015;
- het journaalbericht van mr. Sloof van 13 februari 2015 met bijlagen, ingekomen op 16 februari 2015.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 2 maart 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De vrouw werd tevens bijgestaan door mevrouw [B], tolk in de Russische taal (Wbtv nummer [0000]).

3.De vaststaande feiten

3.1
De man en de vrouw zijn [in] 2006 getrouwd in Oekraïne. De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Oekraïense. De vrouw heeft zich op 9 januari 2009 (officieel) in Nederland gevestigd. Zij is toen bij de man ingetrokken op het adres [a-straat] te [A] (hierna: de woning). Dit betreft een huurwoning.

4.De omvang van het geschil

4.1
In geschil is de echtscheiding en het huurrecht van de woning. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het huurrecht van de woning vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk aan de man toegekend.
4.2
De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van
24 juli 2014. De eerste ziet op het huurrecht van de woning en de tweede op de echtscheiding.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht
5.1
Ingevolge artikel 3 lid 1 onder Pro a van de Verordening Brussel II bis heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in deze kwestie, nu de man en de vrouw hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Toepasselijk recht
5.2
De rechtbank heeft geconstateerd dat het Nederlands recht van toepassing is op het echtscheidingsverzoek en de nevenverzoeken. Aangezien geen van partijen hiertegen een grief heeft gericht, is het hof aan dit oordeel gebonden.
De echtscheiding
5.3
Op grond van artikel 1:151 BW Pro wordt echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is. Duurzame ontwrichting is een toestand waarin de samenleving ondraaglijk is geworden en geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen bestaat.
5.4
De vrouw heeft de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen niet ontkend, zodat deze toestand tussen partijen vaststaat. Daarom heeft de rechtbank het verzoek tot echtscheiding, hetgeen de vrouw in eerste aanleg overigens ook zelf had verzocht, terecht toegewezen.
Het huurrecht
5.5
Partijen verschillen van mening over de vraag aan wie van hen het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning dient toe te komen.
5.6
Ingevolge artikel 7:266 lid 5 BW Pro kan de rechter in geval van echtscheiding op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn.
5.7
Het hof overweegt dat het toekennen van het huurrecht van de (voormalige) echtelijke woning aankomt op een afweging van de belangen van ieder van partijen. Het hof stelt vast dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht van de woning, aangezien geen van beiden over alternatieve woonruimte beschikt. De man heeft zijn stelling dat de vrouw een eigen woning heeft in Oekraïne en dat zij in dat land nog een uitkering en/of pensioen geniet, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd. Aan die stelling wordt daarom voorbij gegaan.
5.8
De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op het feit dat de vrouw geen zelfstandige verblijfsvergunning had en (nog) niet was geslaagd voor haar inburgeringsexamen. Aldus bestond naar het oordeel van de rechtbank het risico dat de vrouw na de echtscheiding geen recht zou hebben op een bijstandsuitkering en Nederland zou moeten verlaten. Daarom heeft de rechtbank het huurrecht van de woning aan de man toegewezen.
5.9
Thans is echter gebleken dat de omstandigheden al waren gewijzigd nadat de zitting in eerste aanleg op 6 mei 2014 had plaatsgevonden en voordat de bestreden beschikking was uitgesproken. De vrouw is namelijk op 26 mei 2014 geslaagd voor haar inburgeringsexamen. Nadat de beschikking van 24 juli 2014 is gegeven heeft de vrouw op 11 september 2014 een zelfstandige verblijfstitel voor bepaalde tijd gekregen. Deze is geldig tot 14 juli 2019.
5.1
Met name deze gewijzigde omstandigheden liggen ten grondslag aan het appel van de vrouw. Ook is zij van mening dat de rechtbank bij het toekennen van het huurrecht van de woning aan de man heeft miskend dat de man geboren en getogen is in Nederland en dat hij, anders dan zij, genoeg familie en opvangmogelijkheden in Nederland heeft.
5.11
Buiten twijfel is dat beide partijen graag in de woning, althans in ieder geval in [A] willen blijven wonen. Niet ter discussie staat dat de wachttijd om in [A] in aanmerking te komen voor een huurwoning al gauw 6 à 7 jaar bedraagt. Dit brengt mee dat degene die thans niet het huurrecht van de woning krijgt toegewezen buiten [A] woonruimte zal dienen te zoeken.
5.12
Hoewel het hof zeker oog heeft gehad voor de ten opzichte van de man zwakkere positie van de vrouw in Nederland, is het na afweging van alle betrokken belangen van oordeel dat het belang van de man bij behoud van de(ze) woning in [A] zwaarder weegt dan het belang van de vrouw daarbij. Voor dit oordeel zijn in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden doorslaggevend geweest.
5.13
Allereerst woont de man al 33 jaar in [A] en de vrouw nog maar 6 jaar.
Daarbij komt dat de man de woning in september 2008 als eerste heeft betrokken. De vrouw verbleef toen nog in Oekraïne. De man en zijn zoon hebben de feitelijke verhuizing voor hun rekening genomen. Eerst eind december 2008 is de vrouw bij de man ingetrokken.
Bovendien is de woning destijds aan de man toegewezen in het kader van een woningruil. De man heeft daartoe zijn vorige woning in [A], waar hij jarenlang met zijn in 1998 overleden echtgenote heeft gewoond, beschikbaar gesteld. De emotionele binding van de man met [A] is extra speciaal, omdat zijn overleden echtgenote daar begraven ligt.
Tot slot heeft de man een sterker sociaal netwerk in [A] dan de vrouw. Zo is hij actief binnen en vicevoorzitter van de Stichting [C]. De vrouw heeft in [A] alleen contact met een nicht en een vriendin. Verder kent zij - naar eigen zeggen - niemand in [A].

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als volgt:

7.De beslissing

Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 24 juli 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
mr. H. van Lokven-van der Meer, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 april 2015 in bijzijn van de griffier.