Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het echtpaar leeft sinds 2009 feitelijk gescheiden en de echtscheiding is in eerste aanleg uitgesproken, waartegen hoger beroep loopt vanwege pensioenverweer. De vrouw woont in de voormalige echtelijke woning en de man betaalde tot oktober 2014 de woonlasten van €2.500 per maand. De man drong aan op verkoop van de woning, maar de verkooppogingen mislukten, mede door de houding van de vrouw. De man stopte met betalen vanwege beperkingen vanuit bank en commissaris van zijn bedrijf.
In eerste aanleg werd de vrouw veroordeeld om de woning te verlaten en de man gemachtigd om de woning te verkopen. De vrouw stelde een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging in, stellende dat het vonnis op een onjuiste feitelijke en juridische grondslag berustte en dat zij onvoldoende woonalternatieven had, mede vanwege haar arbeidsongeschiktheid en zorg voor haar zieke moeder.
Het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het vonnis op een misslag berust en dat zij geen noodsituatie had. De man kon de woonlasten niet langer dragen en het belang van een spoedige verkoop woog zwaarder. De verkoopprocedure met de makelaar mislukte door de houding van de vrouw. Het hof bevestigde dat de vrouw de woning moet verlaten en de man mag verkopen, met waarborgen voor de vrouw tegen onrechtmatige verkoop tegen een bodemprijs.
De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging werd afgewezen en de beslissing over de kosten van het incident werd gereserveerd tot de einduitspraak.
Uitkomst: Het hof wijst het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging af en bevestigt het vonnis dat de vrouw de woning moet verlaten en de man mag verkopen.