Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[bedrijfsnaam],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
Artikel 3Verplichtingen
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen werkten ruim 25 jaar samen op basis van een samenwerkingsovereenkomst uit 2000 waarbij [appellante] bergingsdiensten verrichtte voor TVM. [Appellante] schakelde soms buitenlandse onderaannemers in en ontving van deze bergers creditfacturen (kortingen) die zij niet aan TVM doorbelastte. TVM was hiervan niet op de hoogte en schortte in november 2014 de samenwerking op wegens verdenking van fraude.
In eerste aanleg wees de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante] af en oordeelde dat zij toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van de overeenkomst door de kortingen niet aan TVM door te geven. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat de creditfacturen onder de daadwerkelijke kosten vallen die TVM moet vergoeden. [Appellante] mocht niet zonder overleg de kortingen behouden, ook gelet op de inhoud van de overeenkomst en het ontbreken van afspraken hierover.
Het hof overweegt dat TVM een zwaarwegend belang heeft bij opschorting van de samenwerking zolang het strafrechtelijk onderzoek loopt en de bodemprocedure nog niet is afgerond. Ondanks het financiële belang van [appellante] en haar inspanningen, rechtvaardigt de ernst van de tekortkoming de opschorting. Het hoger beroep faalt en het vonnis van de voorzieningenrechter wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat TVM gerechtigd is de samenwerkingsovereenkomst op te schorten wegens niet doorbelaste kortingen.