Uitspraak
SWZ,
[appellant],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling in hoger beroep
De ondergetekenden:
4.De beslissing
15 oktober 2013 en 18 maart 2014;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond centraal of huurder vanwege renovatie van zijn woning noodzakelijk moest verhuizen. In eerste aanleg waren er meerdere vonnissen van de kantonrechter die onder meer een bijdrage in verhuis- en inrichtingskosten toekenden aan de huurder.
In hoger beroep hebben partijen na een comparitie een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is erkend dat voor de bewoners van de betreffende woningen geen noodzakelijke verhuizing heeft plaatsgevonden op grond van artikel 7:220 lid 5 BW Pro. De huurder had om medische redenen voorafgaand aan de renovatie zelf besloten andere huisvesting te regelen, zonder dit aan de verhuurder te melden.
De verhuurder had daardoor geen aanleiding om maatwerk te leveren. De rechtbank had ten onrechte een bijdrage toegekend aan de huurder, die dit bedrag inmiddels had ontvangen. De verhuurder zag echter af van terugvordering vanwege de specifieke medische situatie van de huurder.
Het hof vernietigde de vonnissen van de kantonrechter en legde de vaststellingsovereenkomst vast, compenseerde de proceskosten en wees het meer of anders gevorderde af. Hiermee is het geschil definitief geregeld.
Uitkomst: Het hof vernietigt eerdere vonnissen en legt een vaststellingsovereenkomst vast waarin partijen hun geschil definitief regelen.