Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
betrokkene,
1. [de zus],
de zus,
2. [de broer],
de broer,
3. [de moeder],
de moeder
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Betrokkene, die door een motorongeluk een hoge dwarslaesie opliep en tijdelijk in coma lag, werd onder bewind gesteld door de rechtbank op verzoek van zijn broer en zus. Betrokkene kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en voerde aan dat hij niet was gehoord, wat in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor.
Het hof oordeelde dat de kantonrechter betrokkene had moeten horen, ook indien dat op zijn verblijfplaats had moeten gebeuren, tenzij medisch gezien het horen zinloos of onverantwoord was. Dit was niet vastgesteld. Betrokkene was sinds 11 september 2014 bij bewustzijn en kon communiceren, zodat het horen wel degelijk mogelijk en noodzakelijk was.
Na het horen van betrokkene en het beoordelen van medische stukken concludeerde het hof dat betrokkene zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk kan waarnemen. Daarom was onderbewindstelling niet gerechtvaardigd.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek tot onderbewindstelling af. Het hof wees ook het meer of anders verzochte af.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het beginsel van hoor en wederhoor bij het instellen van bewind en de zorgvuldige toetsing van de feitelijke omstandigheden rondom de betrokkene.
Uitkomst: Het hof vernietigde de onderbewindstelling en wees het verzoek tot onderbewindstelling af omdat betrokkene zijn belangen zelf kan behartigen.