ECLI:NL:GHARL:2015:5002
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wie de werkgever is bij feitelijke werkzaamheden en schriftelijke arbeidsovereenkomst
In deze civiele zaak stond centraal wie als werkgever moest worden aangemerkt: de partij genoemd in de schriftelijke arbeidsovereenkomst of de vennootschap waar de werknemer feitelijk haar werkzaamheden verrichtte. Het hof nam eerdere tussenarrest over en hield getuigenverhoren waarin verklaringen werden afgelegd door betrokkenen, waaronder oud-aandeelhouders en de werknemer zelf.
De getuigen verklaarden dat de arbeidsovereenkomst was opgesteld door de voormalig aandeelhouder van de vennootschap en dat de werknemer feitelijk voor de vennootschap werkte. De Duitse advocaat van de appellant had in een brief twijfels geuit over de noodzaak van een nieuwe arbeidsovereenkomst omdat de werkgever volgens hem dezelfde bleef. De werknemer verklaarde dat zij een contract met de appellant had gesloten en dat de appellant zich als werkgever gedroeg, maar haar salaris werd betaald namens de vennootschap.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd om de bewijskracht van de schriftelijke arbeidsovereenkomst te ontzenuwen. De feitelijke situatie en verklaringen wezen erop dat de vennootschap de werkgever was. De eerdere vonnissen van de kantonrechter werden bekrachtigd. De appellant en geïntimeerde werden veroordeeld in de proceskosten en nakosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de eerdere vonnissen en oordeelt dat de vennootschap de feitelijke werkgever is, niet appellant.