Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat de alimentatieverplichting van de vader ten behoeve van zijn jongmeerderjarige zoon centraal. De vader verzocht om beëindiging van de alimentatie vanaf de meerderjarigheid van de zoon, terwijl de zoon en zijn moeder verweer voerden en een hogere bijdrage vorderden. De rechtbank had een maandelijkse bijdrage van €152 vastgesteld, waartegen beide partijen hoger beroep instelden.
Het hof beoordeelde de wijziging van omstandigheden, de behoefte van de jongmeerderjarige en de draagkracht van de onderhoudsplichtigen. De behoefte werd vastgesteld op basis van de Wet Studiefinanciering, rekening houdend met studiefinanciering, zorgtoeslag en geringe eigen inkomsten van de zoon. De draagkracht van de vader werd berekend aan de hand van zijn netto besteedbaar inkomen, waarbij zijn woonlasten forfaitair werden meegenomen. De draagkracht van de moeder werd eveneens vastgesteld, maar de draagkracht van de stiefvader werd niet meegenomen wegens onvoldoende informatie over zijn verplichtingen.
De vader voerde aan dat hij de alimentatie wilde matigen vanwege het verstoorde contact met zijn zoon, maar het hof oordeelde dat dit geen grond is voor matiging. De eerdere beschikking werd vernietigd en de alimentatie werd vastgesteld op €285 per maand vanaf 1 augustus 2014, met terugwerkende kracht niet gehonoreerd. De bijdrage dient telkens bij vooruitbetaling te worden voldaan. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.
Uitkomst: De vader moet vanaf 1 augustus 2014 een maandelijkse bijdrage van €285 betalen voor levensonderhoud en studie van zijn jongmeerderjarige zoon.