Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Na ontbinding van het huwelijk van partijen in 2012 is in eerste aanleg een beschikking gegeven over de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en de verzorging en opvoeding van hun drie kinderen. De man kwam in hoger beroep tegen de vastgestelde alimentatiebedragen en stelde onder meer dat hij geen draagkracht had en dat er geen verwijtbaar inkomensverlies was. De vrouw kwam in incidenteel hoger beroep op haar beurt op voor een hogere bijdrage van de man.
Het hof heeft de behoefte van de kinderen vastgesteld op €400 per kind per maand, gebaseerd op het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk. De draagkracht van de man is berekend op basis van zijn werkelijke inkomsten en een redelijke verdiencapaciteit, waarbij het hof oordeelde dat geen sprake was van verwijtbaar inkomensverlies. De man heeft een draagkracht die leidt tot een lagere bijdrage dan eerder vastgesteld. De partneralimentatie is afgewezen omdat de vrouw voldoende eigen inkomsten heeft en het hof onvoldoende aannemelijk acht dat zij haar arbeid kan uitbreiden.
De bijdrage van de man aan de kinderen is vastgesteld op €318 per kind per maand tot 1 oktober 2012, €236 per kind per maand tot eind 2013, en €169 per kind per maand vanaf 1 januari 2014, rekening houdend met de nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De kinderalimentatie wordt vastgesteld op aangepaste bedragen, partneralimentatie wordt afgewezen, en proceskosten worden gecompenseerd.