De man en vrouw zijn gescheiden en hebben drie kinderen, waarvoor de man alimentatie betaalt. Na zijn uittreding uit een vennootschap en de start van een eenmanszaak veranderde zijn inkomen aanzienlijk. De man verzocht de alimentatie te verlagen tot nihil, wat de rechtbank afwees.
Het hof oordeelde dat niet alleen het inkomen, maar ook het vermogen van de man relevant is voor de draagkracht. De man ontving een aanzienlijke uittredingssom, waarvan een deel werd besteed aan een appartement voor zijn stiefdochter en een bedrijfspand. Het hof vond deze uitgaven niet noodzakelijk of redelijk, mede gezien zijn onderhoudsplicht jegens zijn eigen kinderen.
De man kon niet aannemelijk maken dat hij door een fout van zijn accountant was gedwongen tot deze aankopen. Het hof stelde dat de man zich had moeten onthouden van dergelijke financiële verplichtingen zonder zekerheid over zijn financiering en vermogen.
Gelet op zijn vermogen kan van de man redelijkerwijs worden verlangd dat hij inteert op zijn vermogen of hypothecaire leningen aangaat om aan zijn alimentatieverplichtingen te voldoen. Het hof bekrachtigde daarom de eerdere beschikking en wees het verzoek tot verlaging af.