De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland inzake kinderalimentatie en hoofdverblijfplaats van twee kinderen na echtscheiding van de ouders. De vader verzocht onder meer om wijziging van de hoofdverblijfplaats van het oudste kind naar hem en verlaging van zijn alimentatieverplichtingen.
Het hof oordeelt dat de wijziging van de hoofdverblijfplaats niet in het belang van het kind is en wijst dit verzoek af. De vader woont al voor de helft van de tijd bij het kind, wat geen voldoende wijziging van omstandigheden vormt. Ten aanzien van de alimentatie voor het jongste kind is geen relevante wijziging van omstandigheden vastgesteld die een herbeoordeling rechtvaardigt.
Wel wordt de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie voor het oudste kind vastgesteld op 1 februari 2014, de datum waarop het kind voor de helft bij de vader woont. Het hof bepaalt dat de moeder geen verplichting heeft om teveel ontvangen alimentatie over de periode tot 1 oktober 2014 terug te betalen, omdat zij de alimentatie naar eigen inzicht ten behoeve van de kinderen mag besteden.
De overige grieven van de vader worden afgewezen en de beschikking van de rechtbank wordt gedeeltelijk vernietigd en gedeeltelijk bekrachtigd.