Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de verlenging van een ondertoezichtstelling van een minderjarige centraal. De moeder ging in hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling verlengde tot 1 maart 2016. Zij stelde dat het verzoek tot verlenging te laat was ingediend, de beschikking te laat was gegeven en dat de ondertoezichtstelling niet langer noodzakelijk was.
Het hof oordeelde dat het verzoek weliswaar laat was ingediend, maar niet zo laat dat dit tot niet-ontvankelijkheid moest leiden. Ook was de beschikking tijdig gegeven binnen de wettelijke termijnen, ondanks dat de verzending aan de moeder vertraagd was. De kern van het geschil betrof de noodzaak van de ondertoezichtstelling.
Op basis van de feiten en de mondelinge behandeling stelde het hof vast dat de omstandigheden van het kind positief waren veranderd. De ouders communiceerden zelfstandig en de omgangsregeling verliep naar tevredenheid zonder hulp van de gezinsvoogd. Er waren geen actuele bedreigingen voor de zedelijke, geestelijke of lichamelijke belangen van het kind meer. Daarom vernietigde het hof de verlenging van de ondertoezichtstelling met ingang van de datum van het arrest en wees het verzoek tot verlenging af voor de toekomst.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling is verlengd tot aan het arrest en daarna beëindigd wegens het ontbreken van actuele bedreigingen.