Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
De slotsom
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De man en vrouw zijn in 2001 gehuwd en in 2014 gescheiden. De vrouw vorderde partneralimentatie van € 985 per maand, waarvan de rechtbank € 628 toekende. In hoger beroep betwistte de man deze bijdrage en stelde dat de financiële situatie van 2014 in plaats van 2012 als peiljaar moest gelden. Het hof nam het gemiddelde bedrijfsresultaat van 2012 en 2014 als uitgangspunt voor de draagkrachtberekening.
Het hof hield rekening met de neveninkomsten van de vrouw uit hondenfokkerij, stelde haar netto besteedbaar inkomen vast op € 2.327 per maand en haar resterende behoefte op € 419. De man had een netto besteedbaar inkomen van circa € 31.469 (gemiddelde bedrijfsresultaat) en woonlasten van € 300 per maand. Hij betaalde daarnaast € 150 per maand aan zijn zoon als aflossing van achterstallige kinderalimentatie en vanaf 1 mei 2015 € 292 per maand aan aflossing van een schuld aan de bank.
De jusvergelijking toonde aan dat de man bij betaling van alimentatie financieel slechter af zou zijn dan de vrouw. Daarom stelde het hof de alimentatieverplichting van de man op nihil vanaf 15 oktober 2014. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het meer of anders verzochte afgewezen.
Uitkomst: De bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw wordt met ingang van 15 oktober 2014 op nihil gesteld.