De verdachte werd door de politierechter veroordeeld wegens het opzettelijk beledigen van een ambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening. Tegen deze uitspraak stelde verdachte hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter omdat deze in strijd met de wet de strafbeschikking niet had vernietigd. De strafbeschikking, waarbij een geldboete van €350 was opgelegd, was onherroepelijk geworden maar niet betaald. Na meerdere aanmaningen en het uitputten van dwangmiddelen werd verdachte gegijzeld voor zeven dagen, zonder dat betaling volgde.
Het hof oordeelde dat de officier van justitie terecht de zaak aan de strafrechter heeft voorgelegd en dat de gijzeling niet de verschuldigdheid van de boete opheft. Daarom moet bij niet-betaling een vrijheidsstraf worden gevorderd die in mindering kan worden gebracht op de gijzelingstijd. Het hof veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van één week, met aftrek van de zeven dagen gijzeling. De bewezenverklaring betrof eenvoudige belediging van een ambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening.
Bij de strafoplegging werd meegewogen dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld en dat hij de kans had gehad de boete tijdig te betalen. Het vonnis werd op 25 augustus 2015 uitgesproken door een meervoudige kamer van het hof.