In deze zaak stond centraal of SNS Bank terecht instemming met een door de schuldenaar aangeboden dwangakkoord kon weigeren. De schuldenaar, een alleenstaande moeder met een uitkering op grond van de Participatiewet, bood een schuldregeling aan waarbij schuldeisers een eenmalige betaling van circa 8,47% van hun vordering zouden ontvangen. Alle schuldeisers behalve SNS Bank stemden in.
De rechtbank had het verzoek van de schuldenaar om SNS Bank te bevelen in te stemmen met het akkoord toegewezen, stellende dat de bank geen belang had bij weigering omdat de schuldenaar geen afloscapaciteit had en toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling tot 2020 uitgesloten was. SNS Bank ging in hoger beroep en voerde aan dat verbetering van de financiële situatie van de schuldenaar op termijn mogelijk was, mede door haar re-integratietraject en leeftijd, en dat zij daardoor in de komende acht jaar meer zou kunnen incasseren dan het nu aangeboden bedrag.
Het hof overwoog dat in de belangenafweging de periode tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling plus de duur van een schuldsaneringsregeling in aanmerking moet worden genomen, hier acht jaar. Gezien de positieve verwachtingen over de toekomstige verdiencapaciteit van de schuldenaar achtte het hof de weigering van SNS Bank redelijk. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek af. Proceskosten werden niet toegewezen.