In deze civiele procedure in hoger beroep vordert de Staat vernietiging van het vonnis van de rechtbank en betaling van een bedrag van € 391.681,- vermeerderd met wettelijke rente van geïntimeerde. De zaak betreft onjuiste belastingaangiften door geïntimeerde die strafrechtelijk is veroordeeld.
De Staat heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd door de vermeerdering van de eis tot vergoeding van extra werkzaamheden in de inning van belastingen. Geïntimeerde betwist deze eiswijziging en stelt dat deze in strijd is met de goede procesorde en een verboden wisseling van hoedanigheid inhoudt.
Het hof overweegt dat de eiswijziging binnen de wettelijke kaders valt en niet leidt tot onredelijke vertraging of bemoeilijking van de verdediging. De eiswijziging is tijdig ingediend bij memorie van grieven en voldoet aan de strikte regels omtrent eiswijziging in hoger beroep.
Het hof wijst erop dat het hoger beroep ook dient als herstelmogelijkheid en dat de Staat niet gehouden is haar vordering in eerste aanleg volledig te hebben ingericht zoals zij dat in hoger beroep doet. De bezwaren van geïntimeerde worden verworpen en de zaak wordt verwezen naar de rol voor voortzetting van de procedure.