Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2015:7852

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 oktober 2015
Publicatiedatum
19 oktober 2015
Zaaknummer
200.166.246
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 lid 2 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende machtiging tot schenking onder bewind wegens ontbreken schenkingstraditie

De bewindvoerder heeft bij de kantonrechter en vervolgens in hoger beroep verzocht om een vervangende machtiging om namens betrokkene schenkingen te doen aan zichzelf en zijn broers ter hoogte van € 75.000,- per persoon. Betrokkene staat onder bewind vanwege haar dementie en kan haar toestemming niet geven. De kantonrechter had het verzoek geweigerd en het hof bevestigt deze beslissing.

Het hof baseert zich op artikel 1:441 lid 2 sub a BW Pro en de Aanbevelingen meerderjarigenbewind van het LOVCK, waarin als hoofdregel geldt dat schenkingen alleen toegestaan zijn indien er een schenkingstraditie bestaat. De bewindvoerder kon deze traditie niet aantonen en stelde dat de eisen onredelijk waren gezien het fiscale nadeel en de situatie van betrokkene.

Het hof oordeelt dat het ontbreken van een schenkingstraditie en het niet aannemelijk maken van bijzondere omstandigheden die een schenking rechtvaardigen, zoals verbetering van de leefomgeving, het verzoek niet rechtvaardigen. Het vermogen wordt deels aangewend voor zorgkosten, en het hof acht het niet passend om grote bedragen te onttrekken aan het vermogen. De grieven falen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vervangende machtiging tot schenking af en bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.166.246
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 3601762)
beschikking van de familiekamer van 13 oktober 2015
inzake
[verzoeker],
wonende te Wijk bij Duurstede,
verzoeker in hoger beroep,verder te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. G.H.J. Spee te Nijmegen.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende 1],
wonende te Bilthoven, gemeente De Bilt,
verder te noemen: betrokkene,
niet verschenen,
en
[belanghebbende 2],
wonende te Breda,
verder te noemen: [belanghebbende 2],
en
[belanghebbende 3],
wonende te Nijmegen,
verder te noemen: [belanghebbende 3].

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht) van 29 december 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 maart 2015.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 8 september 2015 plaatsgevonden. De bewindvoerder is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens zijn [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] verschenen.

3.De vaststaande feiten

3.1
Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1930. De bewindvoerder, [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] zijn de zoons van betrokkene.
3.2
Bij afzonderlijke beschikkingen van 16 augustus 2012 heeft de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector familie en toezicht, locatie Utrecht) alle goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld en de bewindvoerder als zodanig benoemd tot bewindvoerder, alsmede een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene en de bewindvoerder tevens benoemd tot mentor.
3.3
Bij verzoekschrift van 17 november 2014 heeft de bewindvoerder de kantonrechter verzocht vervangende toestemming te verlenen om te mogen overgaan tot schenking van
€ 75.000,- door betrokkene aan ieder van haar drie kinderen.
3.4
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de gevraagde toestemming geweigerd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Aan het hof is in hoger beroep het verzoek van de bewindvoerder tot het verkrijgen van een vervangende machtiging tot schenking opnieuw voorgelegd.
4.2
De bewindvoerder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 29 december 2014. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De bewindvoerder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de bewindvoerder te machtigen tot het doen van een schenking aan zichzelf en aan de twee broers van de bewindvoerder van € 75.000,- ieder, derhalve totaal € 225.000,-, althans deze te machtigen tot een in goede justitie te bepalen bedrag, kosten rechtens.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:441 lid 2 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor het beschikken over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtend rechterlijk bevel geschiedt.
5.2
Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek zal het hof acht slaan op de 'Aanbevelingen meerderjarigenbewind' (hierna: de aanbevelingen), zoals deze door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) met het oog op de gewenste uniformering in de rechtstoepassing binnen de bewindspraktijk zijn vastgesteld. Op grond van de aanbevelingen geldt als hoofdregel dat het doen van schenkingen namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen slechts wordt toegestaan indien er een schenkingstraditie wordt aangetoond. In bijzondere, door de bewindvoerder aan te voeren omstandigheden kan van de hoofdregel worden afgeweken indien het belang van de rechthebbende dat vereist, dan wel indien de schenking de leefomgeving van de rechthebbende verbetert.
5.3
De bewindvoerder stelt dat hij zichzelf en zijn broers [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] ieder € 75.000,-, of een ander bedrag dat het hof juist acht, wil schenken vanuit het vermogen van betrokkene. De bewindvoerder stelt dat het vermogen van betrokkene altijd in haar woning heeft gezeten en dat dit als gevolg van de verkoop van die woning is vrijgekomen. De bewindvoerder stelt dat betrokkene jarenlang € 10,- per maand op de spaarrekeningen van de kleinkinderen heeft gestort. Volgens de bewindvoerder was evenwel geen sprake van een schenkingstraditie van enige omvang, omdat betrokkene destijds geen vermogen had buiten dat wat in de woning zat. De bewindvoerder acht de eisen die in de aanbevelingen zijn opgenomen omtrent het bestaan van een schenkingstraditie in het onderhavige geval onredelijk en onrechtvaardig. Het huidige vermogen van betrokkene levert haar volgens hem een fiscaal en financieel nadeel op. Na een eventuele schenking zal, naar hij ten slotte stelt, voldoende overblijven om in de toekomstige verzorging van betrokkene, die in een verpleeghuis woont, te kunnen blijven voorzien.
5.4
Het hof acht het voldoende aannemelijk geworden dat betrokkene niet in staat is om haar toestemming te geven voor het doen van een schenking. Ter mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene dement is. Dit betekent op grond van de aanbevelingen dat het verlenen van een machtiging voor het doen van een schenking namens betrokkene in beginsel slechts kan worden gegeven indien er een schenkingstraditie wordt aangetoond. In bijzondere, door de bewindvoerder aan te voeren omstandigheden kan een dergelijke machtiging toch worden gegeven, indien het belang van betrokkene dat vereist of indien de schenking haar leefomgeving verbetert. De bewindvoerder heeft niet gesteld dat sprake is van een schenkingstraditie. Evenmin heeft de bewindvoerder voldoende aannemelijk gemaakt dat het belang van betrokkene een schenking vereist, dan wel dat haar leefomgeving hierdoor verbetert. Weliswaar is betrokkene over haar vermogen vermogensbelasting verschuldigd en is zij door haar vermogen een hoge eigen bijdrage verschuldigd in verband met haar verblijf in het verpleeghuis waar zij woont, maar dit is geen reden om (forse) bedragen aan het vermogen te onttrekken en aldus de betrokkene de mogelijkheid te ontnemen het vermogen aan te wenden voor de instandhouding en verbetering van haar eigen leefomgeving. Anders dan de bewindvoerder en [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3], acht het hof de aanbevelingen in het onderhavige geval niet onredelijk, zodat het hof onvoldoende aanleiding ziet om, in afwijking van de aanbevelingen, de machtiging tot schenking alsnog te verlenen. Daarbij is van belang dat ter mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene blijkens een door de bewindvoerder opgemaakt overzicht, gedateerd 27 juni 2014, inteert op haar vermogen, onder andere vanwege de kosten voor externe dagbesteding en de persoonlijke ondersteuning van betrokkene vanuit zorgburo Tasseron.
Het verzoek van de bewindvoerder om hem te machtigen tot het doen van een schenking aan de bewindvoerder en zijn broers [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] van € 75.000,- per persoon, is daarom ook in hoger beroep niet toewijsbaar. Datzelfde geldt voor schenking van een lager bedrag aan ieder van hen.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen.
6.2
Het hof zal bepalen dat de kosten van de procedure in hoger beroep voor rekening van de bewindvoerder zullen blijven.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht, van 29 december 2014;
bepaalt dat de kosten van de procedure in hoger beroep voor rekening van de bewindvoerder zullen blijven;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, A. Smeeïng-van Hees en T.M. Blankestijn, bijgestaan door mr. M. Ligtenberg-Vastenholt als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. Smeeïng-Van Hees en is op 13 oktober 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.