Uitspraak
1.[rechthebbende] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De motivering van de beslissing
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De kantonrechter had bij beschikking van 23 januari 2015 het verzoek van de vader tot opheffing van de onderbewindstelling afgewezen en een nieuwe bewindvoerder benoemd. De vader ging hiertegen in hoger beroep.
Uit het dossier en de mondelinge behandeling bleek dat de onderbewindstelling destijds was ingesteld vanwege een ziekenhuisopname van de vader met hartproblemen. Inmiddels is de vader hersteld en beheert hij samen met zijn echtgenote, met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, zelfstandig hun financiën. De zoon en dochter vervulden slechts een ondersteunende rol en legden rekening en verantwoording af aan de kantonrechter.
Het hof oordeelde dat de noodzaak van het bewind niet meer bestond en dat voortzetting niet zinvol was. Daarom vernietigde het hof de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek tot opheffing van de onderbewindstelling alsnog toe met terugwerkende kracht tot 23 januari 2015. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De verplichting van de zoon en dochter om rekening en verantwoording af te leggen blijft bestaan tot het einde van het bewind.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing van de onderbewindstelling toe met ingang van 23 januari 2015 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.