Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
2 september 2015.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat de schoolkeuze voor het minderjarige kind centraal, waarover de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen na hun echtscheiding. De moeder wenst het kind in te schrijven op een openbare basisschool, terwijl de vader de voorkeur geeft aan een christelijke school. De rechtbank had de vader reeds vervangende toestemming verleend voor inschrijving op de christelijke school.
De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht het hof de vader te verplichten mee te werken aan inschrijving op de openbare school, met een vervangende toestemming door het hof indien de vader niet meewerkt. De vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en stelde een tegenverzoek tot medewerking van de moeder aan het naar school brengen van het kind.
Het hof heeft de belangen afgewogen en oordeelde dat het belang van het kind en de moeder het meest gediend is met inschrijving op de door de moeder gekozen school. De voordelen van deze school, zoals nabijheid, aansluiting bij de peuterklas en sociale omgeving, wegen zwaarder dan de door de vader aangevoerde voordelen. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en bepaalde dat de vader binnen twee dagen moet meewerken aan de inschrijving, waarbij de beschikking in de plaats treedt van zijn toestemming indien hij niet meewerkt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vader moet binnen twee dagen meewerken aan de inschrijving van het kind op de door de moeder gekozen openbare basisschool, met vervangende toestemming door het hof bij weigering.