Appellant was eigenaar van een perceel dat door ruilverkaveling in de Ooijpolder werd heringedeeld, waarbij de kadastergrenzen afweken van de oorspronkelijke tekening bij de akte van levering uit 1997. Hij vorderde in eerste aanleg herstel van de perceelsgrens en schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking van geïntimeerden, die eigenaar werden van het aangrenzende perceel.
De rechtbank Gelderland wees de vorderingen af, onder meer omdat de inschrijving van de akte van toedeling in 2006 de eigendomsverhoudingen rechtsgeldig vaststelde en het Kadaster niet verplicht was tot kosteloze reconstructie van de grenzen. Het hof bevestigde dit oordeel en overwoog dat de Landinrichtingswet een gesloten stelsel kent dat geen ruimte laat voor vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking, behalve in bijzondere gevallen van administratieve fouten.
In deze zaak was geen sprake van een administratieve vergissing, maar van een verschil door de kadastrale inmeting na de levering. De tekening bij de akte was slechts schetsmatig en diende ter oriëntatie. Het hof concludeerde dat er geen onmiskenbare fout was gemaakt door het Kadaster en dat appellant geen aanspraak kon maken op herstel of schadevergoeding. Het hoger beroep werd verworpen en appellant werd veroordeeld in de kosten.