ECLI:NL:GHARL:2015:9889

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 december 2015
Publicatiedatum
23 december 2015
Zaaknummer
200.172.102/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 283 RvArt. 130 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: vaststelling behoefte en draagkracht ouders

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland inzake de hoogte van de kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen. Het huwelijk van partijen is in 2011 ontbonden en zij oefenden gezamenlijk het gezag uit over hun kinderen, die bij de vrouw wonen. De oorspronkelijke alimentatie was vastgesteld op €250 per kind per maand, geïndexeerd tot €261,96.

De vrouw betwistte de verlaging van de alimentatie door de man en stelde meerdere grieven in hoger beroep, waaronder de behoefte van de kinderen en de draagkracht van beide ouders. Het hof oordeelde dat de gewijzigde fiscale kindregelingen per 1 januari 2015 een wijziging van omstandigheden vormden die een nieuwe beoordeling rechtvaardigden.

De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €377,21 per kind per maand na indexering, waarbij het kindgebonden budget niet bij de behoefte wordt gerekend maar bij de draagkracht van de ontvangende ouder. De draagkracht van de man werd berekend op €497 per maand en die van de vrouw op €479 per maand. Op basis hiervan werd de alimentatie vastgesteld op €135,50 per kind per maand, met een zorgkorting van 15% in natura door de man.

Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en wijzigde de alimentatieverplichting met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015. De man werd veroordeeld tot betaling van €271 per maand in totaal, wat neerkomt op een verhoging van €129 per maand ten opzichte van de eerdere beschikking. De proceskostenveroordeling werd ingetrokken door de man. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De man moet vanaf 1 januari 2015 €135,50 per kind per maand betalen als kinderalimentatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.172.102/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/136682/ FA RK 14-1420)
beschikking van de familiekamer van 10 december 2015
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P. van Bommel, kantoorhoudend te Franeker,
tegen
[de man],
wonende te [B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A.J. de Boer, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 25 maart 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 24 juni 2015;
- het verweerschrift, ingekomen op 27 augustus 2015;
- het journaalbericht namens mr. Van Bommel van 28 juli 2015 met bijlage, ingekomen op 29 juli 2015;
- het journaalbericht van mr. Van Bommel van 12 oktober 2015 met bijlagen, ingekomen op 12 oktober 2015;
- het journaalbericht van mr. De Boer van 12 oktober 2015 met bijlagen, ingekomen op 13 oktober 2015;
- het journaalbericht van mr. Van Bommel van 12 oktober 2015 met bijlage, ingekomen op 13 oktober 2015;
- het journaalbericht van mr. Van Bommel van 12 oktober 2015 met bijlagen, ingekomen op 15 oktober 2015.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 oktober 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De vaststaande feiten

3.1
Het huwelijk van de man en de vrouw is [in] 2011 ontbonden door echtscheiding.
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] geboren [in] 2000 en
- [de minderjarige2] geboren [in] 2004,
over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de vrouw.
3.3
De man en de vrouw hebben op 15 augustus 2011 een ouderschapsplan opgemaakt waarin zij zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 september 2011 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] € 250,- per kind per maand zal voldoen. Deze regeling is opgenomen in de echtscheidingsbeschikking van 7 september 2011. Genoemde bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2015 ingevolge de wettelijke indexering € 261,96 per kind per maand.

4.De omvang van het geschil

4.1
In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van 1 januari 2015 vastgesteld op € 71,- per kind per maand.
4.2
De vrouw is met vijf grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van
25 maart 2015. Grief I ziet op de wijziging van omstandigheden, grief II ziet op de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , de grieven III en V zien op de draagkracht van de man en grief IV ziet op de draagkracht van de vrouw.

5.De motivering van de beslissing

De wijziging van omstandigheden
5.1
Zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, is de verzoeker ingevolge artikel 283 Rv Pro bevoegd het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. De man heeft bij schrijven van 22 december 2014 gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Hij heeft zijn verzoek wat betreft de hoogte van de door hem te betalen kinderalimentatie vermeerderd (€ 81,50 in plaats van € 132,- per kind per maand) en wat betreft de ingangsdatum verminderd (1 januari 2015 in plaats van de datum van indiening van zijn verzoekschrift d.d. 29 augustus 2014). In genoemd schrijven heeft de man tevens de gronden van zijn verzoek aangevuld in die zin dat hij, naast de in zijn inleidend verzoek gestelde verhuizing van de vrouw naar [A] (primair) en verhoging van haar inkomen (subsidiair), de per 1 januari 2015 gewijzigde fiscale kindregelingen (meer subsidiair) als wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro heeft aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de verandering van het verzoek van de man en de gronden daarvan in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde als genoemd in het door artikel 283 Rv Pro van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 130 Rv Pro.
5.2
Anders dan de vrouw aanvoert is het hof dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht onder 3.5 heeft overwogen dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet hervorming kindregelingen per 1 januari 2015 sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro, die een nieuwe beoordeling van de onderhoudsverplichting van de man rechtvaardigt. Grief I faalt.
De ingangsdatum
5.3
Nu geen grief is gericht tegen de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum van
1 januari 2015 staat deze voor het hof vast, zodat daarvan ingeval van wijziging van de onderhoudsverplichting van de man zal worden uitgegaan.
De behoefte van de kinderen
5.4
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] los van het kindgebonden budget (inclusief alleenstaande ouderkop) tijdens het huwelijk (2011) € 360,- per kind per maand bedroeg.
5.5
Uit een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) volgt dat bij de vaststelling van de door de ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop, anders dan de tot voor kort als uitgangspunt gehanteerde richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen voorschreef, niet in aanmerking dient te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.
5.6
Voor zover de vrouw heeft bedoeld te stellen dat de behoefte van [de minderjarige1] dient te worden verhoogd met de kosten van het Huiswerkinstituut van € 210,- per maand, heeft zij die stelling, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende onderbouwd. Het hof merkt op deze plaats op dat het wel in het belang van [de minderjarige1] wordt geacht dat de vrouw met de man in gesprek gaat over de huiswerkbegeleiding, zodat zij voor hem de - vooralsnog bestreden - noodzaak daarvan kan onderbouwen. Alleen op die manier kunnen partijen in het belang van [de minderjarige1] samen tot een oplossing komen. Dit zou een goed signaal zijn voor [de minderjarige1] .
5.7
Op grond van het vorenstaande bedraagt de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] na indexering per 1 januari 2015 € 377,21 per kind per maand. Grief II slaagt.
De draagkracht van de man
5.8
De Expertgroep Alimentatienormen beveelt aan voor de vaststelling van kinderalimentatie het netto besteedbare inkomen (hierna: NBI) van de alimentatieplichtige als uitgangspunt te nemen. De kosten en voordelen met betrekking tot de eigen woning dienen bij de berekening van dit NBI buiten beschouwing te worden gelaten. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van dit uitgangspunt. Het door de vrouw aangevoerde is daartoe onvoldoende.
5.9
Uit de jaaropgave 2014 volgt voor de man een bruto jaarinkomen van € 38.085,-. Naar de tarieven van januari 2015, rekening houdend met de algemene heffings- en arbeidskorting, levert dit een NBI op van € 2.265,- per maand. De door de man in het geding gebrachte salarisspecificaties over 2015 geven geen reden tot bijstelling van dit NBI.
5.1
Op basis van de op hem van toepassing zijnde draagkrachtformule (tabel 2015) bedraagt de draagkracht van de man 70% [2.265 - (0,3 x 2.265 + 875)] = (afgerond) € 497,- per maand. Grief III slaagt.
De draagkracht van de vrouw
5.11
Uit de cumulatieven op de salarisspecificatie van december 2014 volgt dat de vrouw in dat jaar € 25.524,64 "loon loonheffing" heeft gehad. Dit loon is gelijk aan het loon dat op een jaaropgave staat. Uit de jaaropgave 2013 volgt een bruto jaarloon van € 25.529,-. De vrouw heeft in eerste aanleg weliswaar gesteld dat haar totaal inkomen over 2014 niet representatief is voor haar huidige inkomen, omdat zij in de maanden mei, juni en juli van 2014 heeft meegedaan aan een eenmalig project, waardoor zij in die maanden meer uren dan gebruikelijk heeft gewerkt, maar gelet op de jaaropgave 2013 acht het hof dat geen steekhoudend argument. Aangezien de vrouw onregelmatigheids- en overwerktoeslagen ontvangt, zal het hof doelmatigheidshalve het genoemde heffingsloon over 2014 als uitgangspunt nemen. Bovendien is daarin de pensioenpremie begrepen. Naar de tarieven van januari 2015 levert een bruto jaarinkomen van € 25.524,64 de vrouw, rekening houdend met de algemene heffings-, arbeids- en inkomensafhankelijke combinatiekorting en het KGB inclusief alleenstaande ouderkop van € 4.692,- in 2015, een NBI op van € 2.228,- per maand.
5.12
De vrouw heeft een beroep gedaan op 7.2 van het Tremarapport. Zij stelt een lening bij haar ouders te zijn aangegaan van € 20.000,-, waarop zij maandelijks € 40,- aflost. Met deze extra last dient bij de beoordeling van haar draagkrachtruimte rekening te worden gehouden, aldus de vrouw. In eerste aanleg heeft zij daartoe aangevoerd dat de man na de echtscheiding is overbedeeld en dat zij uit eigen middelen de verhuizing en de gehele inrichting heeft moeten bekostigen. In hoger beroep voert zij aan dat het om een noodzakelijke verbouwing van de woning ging, omdat er maar twee slaapkamers waren.
5.13
Gelet op de betwisting door de man kan niet gezegd worden dat de schuld van de vrouw aan haar ouders en de aflossingen daarop vaststaande niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten zijn zoals bedoeld in 7.2.1. van het Tremarapport. Evenmin is sprake van extra lasten in verband met de (voormalige) eigen woning, zodat 7.2.2 van het Tremarapport reeds daarom niet van toepassing is. Voor zover de vrouw bedoeld heeft subsidiair een beroep te doen op 7.3 van het Tremarapport, heeft zij onvoldoende onderbouwd dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in haar specifieke geval niet aanvaardbaar zou zijn als geen rekening wordt gehouden met de door haar gestelde extra last voortvloeiend uit de lening van haar ouders, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Bovendien zijn kosten van herinrichting geen noodzakelijke lasten die voorrang zouden moeten hebben op de onderhoudsverplichting voor minderjarige kinderen. Grief IV faalt.
5.14
Op basis van de op haar van toepassing zijnde draagkrachtformule (tabel 2015) bedraagt de draagkracht van de vrouw 70% [2.228 - (0,3 x 2.228 + 875)] = (afgerond)
€ 479,- per maand.
Het aandeel van partijen in de kosten van de kinderen
5.15
Verdeling van de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van gezamenlijk (afgerond) € 754,- per maand naar rato van ieders draagkracht betekent dat de man met ingang van 1 januari 2015 een bijdrage van (afgerond) € 384,- per maand dient te leveren.
5.16
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank op het punt van de zorgkorting. De zorgkorting bedraagt ten minste 15% van de behoefte, omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. Grief V faalt.
5.17
De man voorziet voor een bedrag van 15% van € 754,- = € 113,- per maand in natura in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , zodat genoemde bijdrage van
€ 384,- per maand met dit bedrag verminderd moet worden. Aldus dient hij met ingang van
1 januari 2015 € 271,- per maand, zijnde € 135,50 per kind aan de vrouw te betalen ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
5.18
Het hof acht het redelijk deze bijdrage in te laten gaan per 1 januari 2015 en niet per
9 oktober 2015, zijnde de datum van voornoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, als door de man ter zitting verzocht. Ingevolge het door partijen op 15 augustus 2011 opgemaakte ouderschapsplan bedraagt de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2015 € 261,96 per kind per maand. De man wil vermindering van deze bijdrage. De vrouw wil dat deze bijdrage in stand blijft. Los van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad staat de (mogelijke) wijzigingsdatum van 1 januari 2015 tussen partijen niet ter discussie. Het hof is van oordeel dat de man van meet af aan rekening heeft kunnen en moeten houden met de mogelijkheid dat zijn wijzigingsverzoek zou worden afgewezen, althans dat het door hem per 1 januari 2015 voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te betalen bedrag hoger uit zou komen dan het bedrag dat op 25 maart 2015 door de rechtbank uitvoer bij voorraad is vastgesteld. Daarbij komt dat de man na voldoening van zijn thans per 1 januari 2015 vast te stellen aandeel in de kosten van de kinderen maandelijks nog (€ 497,- minus € 384,- =) € 113,- aan draagkracht overhoudt. Op basis van de onderhavige beschikking dient de man per 1 januari 2015 in totaal (€ 271,- minus € 142,- = ) € 129,- per maand meer te betalen dan hij tot nu toe gehouden was te doen. Dientengevolge bedraagt de achterstand tot en met 31 december 2015 € 1.548,-. Gelet op de geringe hoogte van de totale achterstand, de resterende draagkracht van de man en de gemotiveerde betwisting van de vrouw, heeft de man zijn stelling dat hij financieel in de problemen komt doordat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt gewijzigd per
1 januari 2015 onvoldoende onderbouwd. Aan die stelling wordt daarom voorbij gegaan.
De proceskosten
5.19
De man heeft zijn verzoek om de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure ter zitting ingetrokken.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt:

7.De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 25 maart 2015;
wijzigt de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 september 2011 en het daarin opgenomen tussen partijen op 15 augustus 2011 opgemaakte ouderschapsplan wat betreft de kinderalimentatie en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [de minderjarige1] , geboren [in] 2000, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2004, € 135,50 per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. I.A. Vermeulen en
mr. J.W. baron van Knobelsdorff, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 december 2015 in bijzijn van de griffier.