De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland waarin een schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) werd gehandhaafd die de omgang tussen moeder en haar minderjarige kind beperkte.
De moeder was belast met het gezag over haar kind, dat sinds de geboorte onder toezicht van de GI staat en direct na geboorte bij de grootouders is geplaatst. De GI had de omgang beperkt vanwege vermeende niet-naleving van afspraken en ongewenst gedrag van de moeder, maar het hof oordeelde dat de GI onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte bij het nemen van deze maatregel. Er was geen adequaat hulpverleningsplan, geen schriftelijke waarschuwingen en geen reëel gesprek met de moeder voorafgaand aan de aanwijzing.
Het hof constateerde dat de GI haar beslissing mede baseerde op ervaringen met de moeder uit het verleden, zonder actuele onderbouwing. Ook was onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de omgangsbeperking noodzakelijk was, noch waren belangen van alle betrokkenen afgewogen. De intensiteit van de begeleiding door de grootmoeder werd ook genoemd als reden, maar dit rechtvaardigde volgens het hof geen beperking.
Daarom werd de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaard. Het hof stelde een voorlopige omgangsregeling vast van eens per veertien dagen gedurende twee uur begeleide omgang, waarbij de jeugdzorgwerker een actievere rol krijgt in de afstemming. Het hof hield de zaak aan voor nader onderzoek door de raad voor de kinderbescherming naar een passende omgangsregeling, met een rapportage uiterlijk 14 april 2017, waarna een definitieve beslissing zal volgen.