ECLI:NL:GHARL:2016:1129

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 februari 2016
Publicatiedatum
15 februari 2016
Zaaknummer
WAHV 200.178.893
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WAHVArt. 3:41 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingesteld beroep tegen sanctiebeschikking

Betrokkene ontving op 27 augustus 2012 twee sanctiebeschikkingen met verschillende CJIB-nummers. Tegen beide beschikkingen stelde hij beroep in bij het Openbaar Ministerie, dat deze beroepen ongegrond verklaarde op 27 maart 2013. Vervolgens stelde betrokkene op 2 mei 2013 beroep in bij de kantonrechter in beide zaken, die deze separaat behandelde.

De zaak met CJIB-nummer 164041882 werd behandeld op 21 maart 2014 met uitspraak op 29 april 2014. De onderhavige zaak met CJIB-nummer 164041881 werd behandeld op 15 augustus 2014 met uitspraak op 2 september 2014. Betrokkene stelde echter op 7 juni 2014, dus vóór de uitspraak in de onderhavige zaak, hoger beroep in voor beide zaken.

Het hof oordeelt dat het hoger beroep in de onderhavige zaak prematuur is ingesteld omdat op dat moment nog geen uitspraak was gedaan. Betrokkene kon niet redelijkerwijs menen dat de eerdere uitspraak ook de onderhavige zaak omvatte, aangezien deze slechts één sanctie en CJIB-nummer vermeldde. Daarom verklaart het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur instellen.

Uitspraak

WAHV 200.178.893
15 februari 2016
CJIB 164041881
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland
van 15 augustus 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.
2. Blijkens de gedingstukken zijn op 27 augustus 2012 aan de betrokkene twee beschikkingen (met CJIB-nummers 164041881 en 164041882), houdende oplegging van sancties, toegezonden. Bij brief van 6 september 2012, ontvangen door de CVOM op 17 september 2012, heeft de betrokkene beroep tegen deze beide beschikkingen ingesteld. Op 27 maart 2013 heeft de officier van justitie, bij separate besluiten, de beroepen van de betrokkene ongegrond verklaard. Hierop heeft de betrokkene, bij beroepschrift van 2 mei 2013, beroep in beide zaken ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft beide zaken separaat behandeld. De zaak met CJIB-nummer 164041882 is behandeld ter zitting van 21 maart 2014. Dit heeft geleid tot een uitspraak van gelijke datum die op 29 april 2014 aan de betrokkene is toegezonden. De onderhavige zaak (met CJIB-nummer 164041881) is behandeld ter zitting van 15 augustus 2014. Dit heeft geleid tot een uitspraak die op 2 september 2014 aan de betrokkene is toegezonden. De beroepstermijn in onderhavige zaak eindigde derhalve op 14 oktober 2014.
De betrokkene heeft op 7 juni 2014, ontvangen door de rechtbank op 10 juni 2014, hoger beroep ingesteld in beide zaken.
3. In de onderhavige zaak was op 7 of 10 juni 2014 geen beslissing door de kantonrechter gegeven. Er is derhalve prematuur hoger beroep ingesteld. Gelet op artikel 6:10 Awb Pro blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de betrokkene redelijkerwijs kon menen dat de kantonrechter bij de hem op 29 april 2014 toegezonden uitspraak ook in de onderhavige zaak uitspraak had gedaan. Dat is echter niet het geval. In die uitspraak is niet het CJIB-nummer van de onderhavige zaak vermeld. Er wordt slechts één sanctie genoemd. In de onderhavige zaak is de betrokkene, na de uitspraak in de andere zaak, een oproep, gedateerd 27 juni 2014, toegezonden voor de zitting van 15 augustus 2014 waar onderhavige zaak is behandeld. Gelet hierop had de betrokkene, naar aanleiding van de hem op 2 september 2014 toegezonden uitspraak, hoger beroep moeten instellen. Dat heeft hij niet gedaan.
4. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof het hoger beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Vlieger-Dijkstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.