Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[de moeder] ,
advocaat: mr. P. van Bommel, kantoorhoudende te Franeker,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2007 gehuwd en hebben een minderjarige geboren in 2005. Na het verlaten van de gezamenlijke woning door de moeder in 2014 woont zij met de minderjarige in Friesland, terwijl de vader in Zeeland blijft. De rechtbank heeft in 2015 de echtscheiding uitgesproken en de raad gevraagd te adviseren over hoofdverblijfplaats en zorgregeling.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de hoofdverblijfplaats bij de moeder te laten en een zorgregeling van één weekend per twee weken bij de vader vast te stellen, met het belang dat de minderjarige met de moeder terugkeert naar Zeeland. De rechtbank bepaalde dat de hoofdverblijfplaats vanaf de voorjaarsvakantie 2016 afhankelijk is van de woonplaats van de moeder.
Tijdens de zitting van het hof op 4 februari 2016 stemden beide ouders in met een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar, vanwege ernstige zorgen over de opvoedingsvaardigheden, de slechte verstandhouding tussen ouders en mogelijke bedreiging van de ontwikkeling en veiligheid van het kind. De reeds ingezette hulpverlening bleek onvoldoende, waardoor gedwongen hulpverlening noodzakelijk werd geacht.
Het hof stelde de minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze maatregel moet leiden tot verbetering van de situatie, onderzoek naar de problematiek en verbetering van de ouderlijke communicatie en opvoedingsvaardigheden.
Uitkomst: De minderjarige is voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling.