ECLI:NL:GHARL:2016:2747
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek grootmoeder tot omgangsregeling wegens ontbreken nauwe persoonlijke betrekking
De grootmoeder verzocht het hof om een omgangsregeling met haar kleinkind vast te stellen nadat de rechtbank haar verzoek had afgewezen wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking. De minderjarige woont bij zijn vader sinds het overlijden van zijn moeder, de dochter van de grootmoeder.
De grootmoeder stelde dat zij intensief betrokken was bij de verzorging en opvoeding van het kind tot augustus 2014 en dat contact met haar essentieel is voor de identiteit en ontwikkeling van het kind. De vader betwistte deze stellingen en gaf aan dat het contact beperkt en van korte duur was.
Het hof oordeelde dat de grootmoeder onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had gesteld om te bewijzen dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking of family life zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro en artikel 1:377a BW. De schriftelijke verklaringen en stellingen van de grootmoeder werden door het hof niet overtuigend geacht.
Daarom werd de grootmoeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek en werd de beschikking van de rechtbank bevestigd. Het hof zag geen aanleiding om een omgangsregeling vast te stellen of nader onderzoek te gelasten.
Uitkomst: De grootmoeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot omgangsregeling wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking.