Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[de vader] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
De omvang van het geschil
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland waarin de minderjarige onder toezicht werd gesteld van een gecertificeerde instelling (GI) en een machtiging werd verleend voor uithuisplaatsing bij de vader zonder gezag. De moeder, die het eenhoofdig gezag heeft, verzet zich tegen deze maatregelen.
De feiten tonen een langdurige onstabiele opvoedingssituatie bij de moeder, gekenmerkt door wisselende relaties, verhuizingen, huiselijk geweld en middelengebruik. De minderjarige heeft ADHD en een lichte verstandelijke beperking, waardoor hij behoefte heeft aan structuur en stabiliteit die de moeder onvoldoende kan bieden. De moeder is in augustus 2015 aangehouden op verdenking van zware mishandeling en poging tot doodslag, waarna de minderjarige bij de vader verbleef.
De raad en GI stellen dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende resultaat heeft gehad en dat de moeder niet in staat is om de opvoedingssituatie structureel te verbeteren. Het hof oordeelt dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk zijn ter bescherming van de ontwikkeling van de minderjarige. De machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader wordt bekrachtigd tot 27 mei 2016. De moeder erkent dat terugplaatsing niet direct mogelijk is.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader zonder gezag.