De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun minderjarige kind, dat de Nederlandse en Canadese nationaliteit bezit. Na beëindiging van hun relatie woonde het kind bij de vader in Nederland, met een ouderschapsplan dat onder meer de schoolkeuze en zorgregeling regelde.
De vader schreef het kind zonder toestemming van de moeder in op een andere basisschool, waarna de moeder een kort geding startte. Later ontstond een geschil over de schoolkeuze voor het voortgezet onderwijs en de zorgregeling, waarbij de moeder de internationale school wilde handhaven en de vader koos voor een lokale school.
Het hof oordeelt dat het belang van het kind, waaronder continuïteit, emotioneel welbevinden en sociale ontwikkeling, zwaarder weegt dan de cognitieve voordelen van de internationale school. De wens van het kind om op de huidige school te blijven, wordt gerespecteerd. Verzoeken van de moeder om een kinderpsycholoog in te schakelen en om het Nederlandse paspoort van het kind te verkrijgen, worden afgewezen.
Het hof benadrukt de noodzaak van betere communicatie en samenwerking tussen de ouders, wijst op de schadelijke effecten van hun conflict op het kind en stelt een hoorzitting met het kind en een kindbehartiger in. Tevens bepaalt het hof duidelijke afspraken over het tijdig verstrekken van een consent form voor buitenlandse vakanties.