Uitspraak
de moeder,
de vader,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil tussen ouders over het gezag en omgangsrecht met hun minderjarige kind, geboren in 2005. De ouders zijn sinds 2006 uit elkaar en het kind verblijft bij de vader. Pogingen tot omgang tussen moeder en kind zijn sinds 2007 herhaaldelijk mislukt, ondanks inzet van hulpverleningsinstanties en de Raad voor de Kinderbescherming.
De rechtbank had in 2015 bepaald dat de vader het eenhoofdig gezag krijgt en dat er geen omgangsregeling meer geldt tussen moeder en kind. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om een omgangsregeling en gezamenlijk gezag. Het hof oordeelde dat de communicatie tussen ouders dermate verstoord is dat gezamenlijk gezag niet uitvoerbaar is en dat het belang van het kind gediend is met eenhoofdig gezag bij de vader.
Ten aanzien van omgang stelde het hof vast dat langdurige pogingen tot omgang niet tot resultaat hebben geleid en dat de vader ernstige zorgen heeft over de veiligheid van het kind bij omgang met de moeder, onderbouwd met verontrustende gedragingen van de moeder. Het hof concludeerde dat omgang met de moeder in strijd is met het zwaarwegend belang van de minderjarige en ontzegt haar het omgangsrecht. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het eenhoofdig gezag bij de vader en ontzegt de moeder het omgangsrecht met de minderjarige.