ECLI:NL:GHARL:2016:3507

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2016
Publicatiedatum
3 mei 2016
Zaaknummer
200.187.502/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 6 EVRMArt. 14 IVBPR
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters meervoudige strafkamer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

In de strafzaak met parketnummer 21-002443-15 vond op 23 februari 2016 een zitting plaats voor de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Verzoekster diende op 7 maart 2016 een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren H.J. Deuring, A. van Holten en H.D. Wolswijk, stellende dat er sprake was van vooringenomenheid en schending van haar recht op een eerlijk proces.

De wrakingskamer behandelde het verzoek op 7 april 2016, waarbij bleek dat verzoekster niet correct was opgeroepen. Een nieuwe zitting werd gepland op 28 april 2016, waarvoor verzoekster correct werd uitgenodigd, maar zij verscheen niet. De wrakingskamer besloot daarop het verzoek in haar afwezigheid te behandelen.

Verzoekster stelde zes gronden aan haar wrakingsverzoek ten grondslag, waaronder respectloos bejegenen van haar raadsman, het niet in ontvangst nemen van bewijsstukken en vermeende vooringenomenheid van de voorzitter. De wrakingskamer oordeelde dat geen uitzonderlijke feiten of omstandigheden waren gebleken die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen.

De beslissingen van de raadsheren tijdens de zitting werden als begrijpelijk beoordeeld en niet als teken van vooringenomenheid. De wrakingskamer concludeerde dat de raadsheren onpartijdig zijn en wees het wrakingsverzoek af.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren van de meervoudige strafkamer wordt afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
Wrakingskamer
zaaknummer gerechtshof 200.187.502/01
(parketnummer: 21-002443-15)
beslissing van 28 april 2016
op het schriftelijke verzoek van:
[verzoekster],
wonende te [A] ,
verzoekster tot wraking,
hierna te noemen:
verzoekster,
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:
mrs. H.J. Deuring, A. van Holten en H.D. Wolswijk.

1.Het verloop van de procedure

1.1
In de strafzaak met parketnummer 21-002443-15 heeft er op 23 februari 2016 een zitting plaatsgevonden voor de meervoudige strafkamer van het hof.
1.2
Op 8 maart 2016 heeft het hof een schriftelijk wrakingsverzoek gedateerd 7 maart 2016 van verzoekster ontvangen, strekkende tot wraking van de meervoudige strafkamer van het hof, bestaande uit mrs. H.J. Deuring, A. van Holten en H.D. Wolswijk.
1.3
Naast het proces-verbaal van de terechtzitting, heeft de wrakingskamer kennis genomen van een email van mr. H.J. Deuring, waarin hij, mede namens mr. Van Holten en mr. Wolswijk, meedeelt niet in de wraking te berusten. Verweerders hebben aangegeven geen behoefte te hebben om nader op het wrakingsverzoek te worden gehoord.
1.4
De wrakingskamer heeft het verzoek op 7 april 2016 behandeld in openbare raadkamer.
Ter zitting heeft het hof geconstateerd dat verzoekster niet correct was opgeroepen voor die zitting.
De wrakingskamer heeft daarop beslist dat er een nieuwe zitting gepland zou worden waarvoor verzoekster op de correcte wijze zou worden opgeroepen.
1.5
Verzoekster is bij brief van 19 april 2016 in kennis gesteld van de behandeling van het wrakingsverzoek op 28 april 2016 om 11.00 uur. Verzoekster heeft het hof op 26 april 2016 telefonisch verzocht de behandeling van haar verzoek op een later tijdstip, te weten 15.00 uur, te plannen in verband met haar gezondheid. Het hof heeft dit verzoek in zoverre ingewilligd dat het wrakingsverzoek op 28 april 2016 om 14.00 uur is behandeld. Aan verzoekster is dit tijdstip nadrukkelijk bekend gemaakt. Verzoekster is evenwel zowel om 11.00 uur als om 14.00 uur niet bij de behandeling van het verzoek verschenen. De wrakingskamer heeft het verzoek vervolgens op
28 april 2016 om 14.00 uur behandeld in openbare raadkamer.
1.6
De raadsman van verzoekster, mr. S.J. van der Woude, heeft laten weten niet bij de behandeling aanwezig te zullen zijn.
1.7
Verweerders en de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, mr. L.P. den Hollander, zijn eveneens niet verschenen.

2.De beoordeling van het verzoek

Ontvankelijkheid
2.1
Het verzoek is tijdig ingediend en de wrakingskamer acht verzoekster ook overigens ontvankelijk.
Gronden
2.2
Uit het verzoek leidt de wrakingskamer af dat verzoekster van mening is dat de onpartijdigheid van de behandelde raadsheren op basis van zes gronden in het geding is. Allereerst stelt zij dat de voorzitter, mr. Deuring, haar advocaat onwaardig en respectloos heeft bejegend ter zitting door de manier en toon waarop hij haar advocaat aangaf aan het woord te zijn. Voorts is verzoekster van mening dat het recht om bewijs aan te voeren is geschonden doordat het hof een door verzoekster gemaakte geluidsopname naar de mening van verzoekster te snel heeft afgedaan als niet duidelijk genoeg hoorbaar en heeft geweigerd de opname als bewijs in ontvangst te nemen. Verzoekster acht ook het feit dat het hof niets heeft gedaan met twee brieven van verzoekster een schending van het recht om bewijs aan te voeren. Daarnaast is verzoekster van mening dat de voorzitter zijn oordeel ter zitting heeft gegeven door aan te geven dat verzoekster eerder veroordeeld is tot een straf en vervolgens opnieuw in de fout is gegaan. Verzoekster is van mening dat de voorzitter slecht was voorbereid en fouten maakte door de inhoud van het dossier door elkaar te halen. Ten slotte stelt verzoekster dat zij zich beledigd voelde doordat de voorzitter aangaf dat zij van Turkse afkomst is zonder daarbij op te merken dat zij zich heeft genaturaliseerd tot Nederlander.
Standpunt verweerders
2.3
De voorzitter van de zittingscombinatie heeft voor de gang van zaken ter zitting van
23 februari 2016 verwezen naar het opgemaakte proces-verbaal.
Beoordeling
2.4
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de wrakingskamer het volgende voorop. Op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv Pro hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
2.5
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
2.6
Op grond van de overgelegde stukken is de wrakingskamer van oordeel dat ten aanzien van
de desbetreffende raadsheren niet van uitzonderlijke feiten en omstandigheden is gebleken die een aanwijzing opleveren dat sprake is van vooringenomenheid. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.7
De eerste grond van verzoekster ziet op het feit dat de voorzitter de raadsman van verzoekster heeft aangegeven dat hij - zakelijk weergegeven - op dat moment in gesprek was met verzoekster en dat de raadsman moest wachten met het overleggen van stukken, zoals ook uit het proces-verbaal van de zitting blijkt. Die beslissing en de wijze waarop de voorzitter deze aan de raadsman kenbaar heeft gemaakt, wat daarvan ook zij, levert geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de voorzitter vooringenomenheid jegens verzoekster en/of haar raadsman koestert.
2.8
Ten aanzien van de tweede en derde wrakingsgrond overweegt de wrakingskamer dat verzoekster het op bepaalde punten niet eens is met de beslissingen die de voorzitter van de strafkamer heeft genomen. Nu het gaat om door het hof gegeven beslissingen kan de vrees voor vooringenomenheid slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval een beslissing is genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is aan te wijzen dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissingen van de verweerders onder de gegeven omstandigheden, met name nu het door verzoekster bedoelde geluidsfragment ter zitting is beluisterd, geen blijk geeft van enige vooringenomenheid, noch dat deze beslissing objectief gezien die schijn wekt. Ook anderszins is daarvan niet gebleken. Op geen enkele wijze zijn verweerders vooruitgelopen op een eindoordeel in het door verzoekster ingestelde hoger beroep of op de beoordeling van door verzoekster eventueel te voeren verweren.
2.9
Ten slotte volgt noch uit het proces-verbaal van 23 februari 2016, noch uit hetgeen in het wrakingsverzoek nog verder naar voren is gekomen, dat verweerders blijk hebben gegeven van vooringenomenheid jegens verzoekster of dat zij daaraan de objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid heeft kunnen ontlenen. Nu er ook overigens naar het oordeel van de wrakingskamer geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die blijk geven van enige vooringenomenheid, noch van feiten en omstandigheden die objectief gezien die schijn wekken, dient op het verzoek tot wraking te worden beslist als hieronder weergegeven.
De beslissing:
De wrakingskamer van het gerechtshof:
wijst af het verzoek tot wraking van mrs. H.J. Deuring, A. van Holten en H.D. Wolswijk.
Aldus gewezen door mrs. J.J. Beswerda, voorzitter, M.M.A. Wind en G. van Rijssen, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2016.