Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[de moeder] ,
1.Samen Veilig Midden-Nederland,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
3.De vaststaande feiten
2010 te [A] .
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van ouders tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland die het ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen beëindigde en de voogdij aan de GI toevertrouwde. De kinderen zijn sinds 2012 onder toezicht gesteld en sinds 2014 bij pleegouders geplaatst.
De ouders voerden aan dat er onvoldoende gronden waren voor beëindiging van het gezag, ontkenden huiselijk geweld en stelden dat de kinderen weer thuis kunnen wonen. Ook klaagden zij over het niet in acht nemen van het beginsel van hoor en wederhoor. Het hof oordeelde dat de wettelijke criteria voor beëindiging van het gezag waren vervuld, waarbij het belang van het kind en de continuïteit van de opvoedingssituatie voorop stonden.
Het hof stelde vast dat de kinderen inmiddels een veilige hechting met de pleegouders hebben opgebouwd en dat de ouders onvoldoende in staat zijn gebleken de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding binnen een aanvaardbare termijn te dragen. Het verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dit niet in eerste aanleg was aangevoerd.
Uiteindelijk bekrachtigde het hof de beschikking van de rechtbank en wees het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag en verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling.