ECLI:NL:GHARL:2016:4324

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juni 2016
Publicatiedatum
1 juni 2016
Zaaknummer
WAHV 200.154.546
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Dijkstra
  • J. Dörholt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdigheid van het beroepschrift in hoger beroep tegen beslissing officier van justitie in WAHV-zaak

In deze zaak gaat het om de tijdigheid van een beroepschrift dat door de betrokkene is ingediend tegen een beslissing van de officier van justitie. De betrokkene had een administratieve sanctie van € 220,- opgelegd gekregen voor het niet stoppen voor rood licht op 6 augustus 2012. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie vernietigd. De officier van justitie ging echter in hoger beroep, omdat het beroepschrift volgens hem niet tijdig was ingediend. De betrokkene had het beroepschrift naar een antwoordnummer gestuurd, waardoor er geen datumstempel op de envelop was aangebracht. Dit leidde tot de vraag of het beroepschrift binnen de beroepstermijn ter post was bezorgd.

Het hof oordeelt dat het ontbreken van het bewijs dat het beroepschrift tijdig is gepost voor risico van de betrokkene komt. De beroepstermijn eindigde op 21 februari 2013, maar het beroepschrift werd pas op 26 februari 2013 door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie ontvangen. Het hof concludeert dat, omdat de gemachtigde van de betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd, het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Uitspraak

WAHV 200.154.546
1 juni 2016
CJIB 163795826
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel
van 8 mei 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] , kantoorhoudende te [plaats] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd. Voorts heeft de kantonrechter de officier van justitie veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 13a van de WAHV, ten behoeve van de betrokkene, tot een bedrag van € 708,-.
Het procesverloop
De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De gemachtigde van de betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De gemachtigde van de betrokkene heeft op 4 september 2015 nog nadere stukken ingediend. Een afschrift is naar de advocaat-generaal verzonden.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 220,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 6 augustus 2012 om 13.47 uur op de N344 te Deventer met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
2. De kantonrechter heeft overwogen dat het beroepschrift tijdig is ingediend aangezien het beroepschrift binnen een week na afloop van de termijn is ingediend, en de envelop met daarop het poststempel van het postbezorgingsbedrijf ontbreekt, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het beroepschrift tijdig is ingediend. Vervolgens heeft de kantonrechter het beroep inhoudelijk beoordeeld, het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie vernietigd.
3. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de kantonrechter geen stand kan houden omdat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet tijdig is ingesteld en onvoldoende is gebleken van verschoonbaarheid van die termijnoverschrijding. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk moeten verklaren. De officier van justitie voert aan dat de datumstempel van het postkantoor als bewijs geldt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd. Het ontbreken van dit bewijs komt in beginsel voor risico van de verzender. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroepschrift verzonden naar een antwoordnummer waardoor het niet is gestempeld door PostNL en niet kan worden vastgesteld of het beroepschrift binnen de termijn ter post is bezorgd. De gemachtigde heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd.
4. Vooropgesteld dient te worden dat de beroepstermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorschrift van openbare orde is waaraan de rechter ambtshalve dient te toetsen. Gelet hierop dient het hof te beoordelen of het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie tijdig is ingesteld en of de kantonrechter daarover juist heeft beslist.
5. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 Awb, dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden. Voorts bepaalt artikel 6:9 Awb dat het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, alsmede dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
6. Een stuk is alleen voor het einde van de termijn ter post bezorgd indien het tijdig in de brievenbus is gedeponeerd dan wel op het postkantoor is aangeboden (vgl. HR 29 mei 1996, JB 1996, 171). Bij verzending per post moet het geheel van handelingen verricht zijn, dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken (vgl. HR 8 juli 1996, LJN ZF2464). Als bewijs dat tijdig ter post is bezorgd geldt het datumstempel van het postkantoor. Het ontbreken van dit bewijs komt in beginsel voor risico van de verzender.
7. De beslissing van de officier van justitie is blijkens de stukken op 10 januari 2013 aan de gemachtigde van de betrokken toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 21 februari 2013. Het beroepschrift is gedateerd 21 februari 2013 en het is blijkens een op de envelop waarin het is verstuurd geplaatste stempel op 26 februari 2013 door de CVOM ontvangen. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroepschrift niet naar het postadres van de CVOM ("postbus 50000, 3500 MJ Utrecht"), maar naar een antwoordnummer gezonden (''antwoordnummer 53043, 3505 VB Utrecht''). Dit heeft tot gevolg gehad dat op de envelop waarin het beroepschrift is verstuurd geen poststempel is aangebracht, waardoor niet valt na te gaan wanneer het beroepschrift ter post is bezorgd.
8. Hoewel het beroepschrift binnen één week na afloop van de beroepstermijn door de CVOM ontvangen is, kan, doordat de gemachtigde van de betrokkene het beroepschrift heeft verzonden naar een antwoordnummer en het derhalve niet is gestempeld met een datumstempel, niet worden vastgesteld of de brief binnen de beroepstermijn ter post is bezorgd. Nu het ontbreken van dit bewijs in beginsel voor risico van de betrokkene komt en de gemachtigde van de betrokkene niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd - de enkele stelling dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd is onvoldoende -, is het hof van oordeel dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet tijdig is ingesteld.
9. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren.
10. Het hof acht geen termen aanwezig om tot vergoeding van door de betrokkene gemaakte kosten over te gaan. Het hof zal daarom het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.